
God zit wat dromerig voor zich uit te kijken over de velden van de hemel. Het is een rustige dag. Net als altijd, denkt hij. Hij hoort niks, of vrijwel niks, want heel vaag klinkt er wat gepingel met zo nu en dan een valse toon er door. Dat is het kleuterklasje van de nonnen, waar de kinderen druk bezig zijn met hun harplessen. Net als iedere dag, denkt hij. En het wordt maar niet anders, want kleuters blijven kleuters en die spelen nou eenmaal niet geweldig harp, al hoe hard de nonnetjes hun best ook doen. Maar de zusters vinden het geweldig en de kindjes hebben de grootste lol, dus dat past wel in de hemel. Maar het wordt na al die jaren wél wat eentonig, denkt hij. Hij zucht eens diep en kijkt nog maar eens om zich heen. Maar er gebeurt niks.
Plotseling hoort hij iemand rennen en al gauw komt er een hijgende engel in beeld. “Heer, er is iemand bij de deur!” Hij kijkt verstoord op: “Nou, roep Petrus dan! Je weet toch hoe de intakeprocedure gaat, hoe lang ben je hier eigenlijk?” De engel krimpt in elkaar en flappert wat nerveus met zijn vleugels. “Tweeduizend jaar, Heer, en natuurlijk ken ik de procedure, met uw welnemen, o, doorluchtige, maar het is geen nieuwe inwoner!” Hij ergert zich een beetje aan dat kruiperige type en besluit streng op te treden. “Nou, wie is het dan? Voor de dag er mee, man, en rap een beetje!” De engel wordt zo mogelijk nog zenuwachtiger onder de toorn des Heren en jammert zachtjes. “Het is die van de andere kant, Heer, u weet wel!” Maar dat laat hij zomaar niet over zich heen gaan. Hij besluit de engel hard aan te pakken. “Wat bedoel je man, van de andere kant? Is hij van de herenliefde of zo? Wees eens duidelijk kerel, en hou op met dat geklapper met je gebit!” Dat wordt de engel te veel en hij stort huilend in elkaar. God vraagt zich af of hij nu te ver is gegaan en of hij nu zijn barmhartige kant moet tonen, als er naast hem een struik in brand vliegt. Hij kijkt verschrikt op. Dan hoort hij iemand bulderend lachen.
Met een harde klap verschijnt er voor hem een grote, vurige gestalte op het perfect geknipte gazon. Hij is wel twee keer zo groot als een engel, bloedrood en gehuld in uitslaande vlammen. Uit zijn woeste kop steken twee grote, vlijmscherpe hoornen en zijn hele lichaam is behangen met gouden sieraden. Zijn ogen schieten witheet vuur, zijn stem is hard, spottend: “Hoe is het, ouwe?” “Verdikke, Lucifer, wat laat je me schikken !” roept God net iets te luid en te hoog. De duivel lacht, het geluid rolt donderend door de tuin. De jammerende boodschapengel kruipt zo snel hij kan weg. “Wat kom je hier doen?” vraagt God terwijl hij van de schrik probeert te bekomen. “Je komt hier anders nooit! Wat moet je?” Lucifer blijft staan en kijkt op hem neer: “Nou, kijken hoe het met jou is, natuurlijk, o Heer der Heerscharen, of je niet weer van die rare dingen doet als toen in Getsemane!” Dat is tegen het zere been. “Rare dingen? Daar is een hele religie op gebouwd!” Lucifer lacht weer en lijkt oprecht geamuseerd. “Ja, dat heb ik nooit begrepen. Jij in een jurk op aarde rondlopen en roepen dat je Jezus was. Tegenwoordig word je daarvoor opgepakt.” “Toen ook” zegt God kalmpjes.” “Ja, breek me de bek niet los, dat was gewoon genant, daar wilde ik toen echt niet bij horen! Dat over the top gedoe met dat kruis, man, man, wat een drama! Maar goed dat je niet gestenigd werd, dan had de halve wereld nu een zakje grint aan de muur hangen! Het had zo niet gehoeven weet je, dat probeerde ik je nog te vertellen. Ik heb je van alles aangeboden. Brood, een goed onderdak in Jeruzalem, ik had zelfs een goeie positie in de tempel voor je geregeld! Maar je was zo dwars als een houtje, en net zo mager! Een raar, eigenwijs vel vol botten. Wat voor halve gare eet er nou veertig dagen niet, dan krijg je ook van die maffe ideeën, wat moest ik daar nou mee?” Daar valt weinig tegenin te brengen. Zo’n woestijn doet rare dingen met je.
Maar het gaat de duivel niet om ouwe koeien, hij heeft andere boodschap. Hij pakt er een stoel bij en gaat daar omgekeerd op zitten met zijn armen op de rugleuning en terwijl de stoel knetterend opbrandt, kijkt hij God doordringend aan. “Ik wou het eens over zaken hebben.” Dat had God niet verwacht. “Zaken? Wat voor zaken?” Zijn gast lacht schamper. “Ja, zaken. Klandizie. Bezettingsgraad. Gasten. Weet ik veel hoe je het noemt. Klantjes.” “Zielen.”zegt God: “dat heeft niks met zaken te maken, dat zijn geredde zielen die voor de eeuwigheid toetreden tot het Koninkrijk der Hemelen.” De demon doet zijn kop een beetje scheef en kijkt God net iets te lang aan met nog steeds die schampere glimlach. “Oké, jij je zin. Zielen. Maar dat loopt hier niet zo hard, hè?” Dat laat God zich niet zomaar zeggen. “We hebben hier vorige week nog vijfentwintig aan de poort gehad!” “Ja, vijfentwintig!” zegt Lucifer: “en hoeveel zijn er uiteindelijk binnengekomen? Nou?” Nu is het de beurt aan God om streng te kijken. “Je weet dat we een hele grondige intake hebben. Alleen wie zonder zonde is komt binnen.” De duivel zucht diep, je merkt dat hij zich ergert. “Ja, en dus bleven er maar twee over. De rest kreeg ik. En ik heb ze met voorrang binnen gelaten, die vrome kwezels. Man, we hebben net honderdveertig vrachtschepen met goede voornemens laten brengen, daar hebben we een nieuwe snelweg van gebouwd, naast de bestaande! En het is nog niet genoeg, iedere dag staat er een file van hier tot Bartlehiem. Ze komen met helicopters, zelfs met vliegtuigen vol de laatste tijd. We hebben het voorgeborchte al verdriedubbeld en nog zitten ze daar vijf hoog opgestapeld. En als ze dan eindelijk verder mogen, kunnen ze nergens heen. We nemen steeds nieuwe gebieden in gebruik, maar voordat je dat een beetje warm gestookt hebt ben je wel weer een maandje verder. Goed, ze klagen niet, of niet meer dan anders, want ze hebben geen idee wat hen te wachten staat, maar het is gewoon te veel. De zaken gaan te goed, man! En bij jou zit niks! Kijk nou eens om je heen! Het is hier Dooie Boel BV!”
En al wil God dat natuurlijk niet toegeven, hij weet best dat Lucifer gelijk heeft. Er komt gewoon niks binnen. Zo nu en dan een kindje omdat die nog wel puur zijn, maar dan moeten ze wél gedoopt zijn, anders telt het niet. En verder misschien een enkele kluizenaar die zijn leven lang alleen heeft gewoond met geen enkele gelegenheid om rottigheid uit te vreten en dus maar hele dagen psalmen zong. En dan natuurlijk de nonnen. Die vinden allemaal dat ze met hem getrouwd zijn en hebben natuurlijk hun hele leven aan hem gewijd, maar o wee als ze gezondigd hebben, dan gaan ze toch naar het vagevuur, echtgenote of niet. “Nou, het is niet echt druk. Maar dat is de bedoeling ook, de hemel is een serene plek.” zegt hij op redelijke toon. “Maar doodsaai, want er gebeurt hier niks.” zegt Lucifer, die zich duidelijk ergert. “Kijk nou eens, man, het staat hier al eeuwen stil! En in de moslimsectie? Ook niet veel beter zeker?” Nee, dat moet God toegeven. Ook daar komt maar sporadisch iemand binnen en die gaan dan ook vaak meteen mopperen. “Ja, daar heerst ook een hemelse sfeer” zegt hij ontwijkend: “zeer kalm, al zit ik me wel eens af te vragen of we niet iets aan die maagden moeten doen. Ik bedoel: het is hen beloofd en ze zijn er ook, maar het concept lijkt niet helemaal duidelijk. Het gaat vooral om wat een maagd een maagd maakt.” Daar moet de duivel bulderend om lachen. “Dat vind ik nog steeds een geweldige streek van je! Die lui willen van dattum, lekker rampetampen met die meiden, maar dat gaat niet door, he? Dan ben je echt een partij besodemieterd!” Je kunt aan God zien dat hij het hier al een tijd moeilijk mee heeft. “Maar er staat geschreven: 72 eeuwige maagden, en als die er dan zijn, is het weer niet goed.” “Sorry dat ik het moet zeggen” zegt Lucifer: “maar gottegot, wat ben je naïef. Die lui komen hier om te neuken. Daar hebben ze hun hele leven heen geleefd en dan zijn ze hier goed en wel, en dan krijgen ze te horen dat je dat niet met een maagd kunt doen, want dan is het geen maagd meer. En er zijn er maar 72 voor de hele club? En al die kerels maar constant met een harde piemel rondlopen!” ” Tja,” zegt God: “dat van die eeuwigdurende erectie staat óók in de heilige geschriften, dus dat krijgen ze ook. Beloofd is beloofd. Maar die maagden zijn tenminste wél heel groot, dat scheelt ook.” Lucifer kijkt verbaasd, dat had hij nog niet gehoord. “Hoe groot dan wel?” “Eenendertig meter.” zegt God. Daar valt Lucifer’s mond van open. “Waarom in godsnaam zo idioot groot?” “Dat staat geschreven” zegt God: “in een Hadith, en die horen bij mijn woord. Dus moet ik me daar aan houden en zijn ze inderdaad in gods naam zo groot.” De duivel lacht zo hard dat de wijde omtrek beweegt. “Eenendertig meter! Dan hebben ze tieten als bushokjes!” “En appetijtelijke vagina’s ” zegt God droogjes. “Ook dat staat geschreven.” Dat is zelfs de duivel te veel. Hij giert het uit. “Maar niemand kan er bij!” zegt hij terwijl de tranen sissend over zijn wangen lopen. “Geen wonder dat ze eeuwig maagd blijven!” Als hij weer een beetje bijgekomen is, zegt hij: “God, wat ben jij erg, zeg. Dan kun je die lui nog beter in de fik steken! Ik heb dat nooit zo meegekregen wat je met die Mohammed deed, dat rare franchise-idee snapte ik toch al niet, maar dit is écht gestoord!” God houdt zich wijselijk stil en glimlacht slechts.
Maar Lucifer is vastbesloten om terzake te komen. “Zeg, ik weet dat jij en ik wel eens wat woorden hebben gehad, maar…” En nu is het aan God om schamper te lachen. “Wat woorden? Ik heb je de hemel uit getrapt!” “Ach, ja” zegt Lucifer: “Jij had op dat moment een bad guy nodig, en ik was wat opstandig en je beste man, dus je greep je kans. Zo simpel is het. Laten we elkaar geen mietje noemen, zaken zijn zaken.” Zulke taal is God niet gewend, maar hij knikt instemmend. “Ja, zo kun je het ook bekijken. Laat maar eens horen dan.” “Mooi. Kijk, zoals ik al zei: wij hebben het veel te druk en bij jou gebeurt niks. Dat is niet goed. Het is alsof je McDonalds en Frietvanpiet tegenover elkaar zet, er is geen balans. Dat is voor geen van beiden goed. Dus daar moeten we wat aan doen.” Daar kijkt God toch van op. “Wat stel je dan voor?”
“Hard, maar rechtvaardig.” zegt de duivel en kijkt er bij alsof hij bloemetjes en bijtjes aan een driejarige probeert uit te leggen, maar het komt bij God toch niet echt binnen. “Hoe bedoel je?” “Je moet begrijpen dat ik die lui allemaal zie.” zegt Lucifer, en kijkt God daarbij doordringend aan, zijn ogen schieten vuur. “Allemaal. Van de klootzak die als kind de hond al schopte en zijn hele leven lang een akelig mannetje is gebleven tot de gewetenloze bankman die met één druk op de knop een heel land naar de verdommenis helpt. Maar ook de sloeber die zijn leven lang zijn best heeft gedaan, die iedere zondag braaf in de kerk heeft zitten zingen en er heilig in geloofde, maar ooit een één keer na een lullig bedrijfsuitje met teveel drank op thuiskwam en toen met de handen onder de dekens is gaan slapen. Tja, tis zonde, maar wat moet ik met zo’n man? Die is zo vroom als de hel en nou moet ik hem voor de eeuwigheid op de barbecue leggen. Dat heeft zo’n man niet verdiend! Of zo’n arme boer, die het beste voor zijn gezin wou en alles deed wat hij maar kon, maar daarbij één keer een tank benzine vergat af te rekenen. Ja, dat is een zondaar, he, maar als er iemand bij jou op harples moest is hij het wel! Weet je ik krijg de laatste tijd een enorme hoop oorlogsslachtoffers die allemaal een gewoon leven hebben gehad voordat ze door een kogel of een bom weggevaagd werden en daar zit ik dan mee, want het zijn allemaal aardige lui. Die hebben nooit kwade bedoelingen gehad, maar iedere koe heeft wel een vlekje. Dus komen ze bij mij en gaan ze in de hens. En dat vreet aan me. Want die hufters die hen doodgemaakt hebben, die lopen nog op aarde rond en maken er nog meer dood en die komen dan ook allemaal bij mij, behalve de atheïsten dan, die gaan gewoon dood, en de hindoes gelukkig ook niet, die worden gerecycled, maar toch, ze blijven maar komen, behalve de moordenaars en dat klopt gewoon niet!”
“Maar regels zijn regels” zegt God: “anders zou het maar een zootje worden en kon iedereen het Koninkrijk Gods binnengaan, maar voorwaar, ik zeg u: nog eerder zal een kameel…” “Ach, sodemieter toch op met je kameel” zegt Lucifer, zichtbaar geërgerd. “Er lopen figuren rond die zo veel geld hebben dat ze een kwart van de wereldbevolking zouden kunnen redden, maar daar denken ze niet aan. Ze blijven maar graaien. Apple heeft honderden miljarden dollars in een belastingparadijs zitten en ondertussen plegen de chinezen in hun fabrieken van pure ellende zelfmoord. Goed, die topman komt uiteindelijk wel bij mij en dan gaat hij aan het spit, maar nu leeft hij als god in Frankrijk en niemand die er wat aan doet! En al die oorlogen! Mensen gaan bij duizenden kapot, er zijn nog nooit zoveel wapens gebruikt als nu! Soldaten over de hele wereld die onschuldige mensen uitmoorden. En waarom? Omdat er weer een ellendeling in een duur pak daar geld aan moet verdienen! God, wat zou ik die lui graag roosteren! Nu al, terwijl ze daar nog rondlopen! Dát gekerm en geknars van tanden wil ik horen! Niet dat van die schlemielen, maar van die rotzakken!” Hij is steeds harder gaan praten en de omgeving wordt al wat onrustig. “Maar wat wil je dan?” vraagt God. “Het is zoals het is, je krijgt ze niet eerder dan dat ze dood zijn en zonde is nou eenmaal zonde.” “Rechtvaardigheid!” roept Lucifer terwijl het vuur uit zijn ogen spat. “Vergeef die schlemielen nou eens wat meer en pak de echte rotzakken keihard aan. Vergeef ons onze schulden bidden ze toch altijd? Nou, doe dat dan. De kleintjes dan. Op je duim geslagen, godverdomme geroepen? Het zij je vergeven als je verder je best doet. Dat soort werk!”
God is er stil van. Er is ook geen speld tussen te krijgen en ach, hij vloekt zelf ook wel eens, gewoon omdat het lekker oplucht. En dat met die Maria destijds, dat was eigenlijk ook een buitenechtelijke relatie, al was het maar één keer… “Vooruit!” zegt hij. “Jij je zin. We gaan wat pragmatischer worden, niet voor iedere onzedelijke gedachte meer naar de hel, daar kan ik wel wat mee. Anders nog wat?” Maar zo gemakkelijk laat de duivel zich niet afschepen. “Ja, toevallig wel! Je moet wat aan die klootzakken doen. Dat gemoord loopt de spuigaten uit, bij duizenden tegelijk en ze worden er verdomme nog stokoud mee ook! Dat gaat zo niet langer. Doe er wat aan!” “Maar wat dan?” zegt God. We kunnen er pas wat mee als ze dood zijn, dan gaan die moordenaars allemaal naar jou en mag je er mee doen wat je wilt. Heb je dat meer nog, wat tegelijk van ijs is en in brand staat? Dat vond ik altijd wel een slimme vondst van je!” “Dat was een ideetje van die Italiaan, Dante” zegt Lucifer, “en dat heb ik meteen maar toegepast, altijd een groot succes. Hij zit er zelf ook in. Maar weet je wat je moet doen? Terug naar de basis. De vreze Gods. Meer PR voor Hel en Verdoemenis. Ze hebben er allerlei smoesjes omheen bedacht, dat het eigenlijk wel mag als je van de regering bent, dat het eigenlijk niet voor hen geldt, noem maar op. Dat moet veranderen. No mercy!” Het klinkt allemaal wel logisch, maar God kan er nog niks mee. Hij kijkt rond over het eeuwig groene gras, de veel te fleurige bloemen, de ronddwarrelende vlinders en schudt zijn hoofd. “En hoe moet dat dan?”
Daar heeft Lucifer op gewacht. Hij richt zich in zijn volle lengte op van het vurige fantoom van het al lang verbrande terrasstoeltje en beent met grote passen tot vlak voor God. “Revolutie! Keer het eens om!” God kijkt als een koe naar een trein en klopt de vlammen uit zijn baard. “Wat?” “Nou,” zegt Lucifer: “keer het effect om! Wat gebeurt er nu? Je hebt een klootzak met een geweer en die schiet op iemand, en hup, diegene is dood en daar gaattie, onderweg naar de hel! Maar als je het nou eens omkeert? Klootzak bedreigt iemand met een wapen, richt, doet zijn uiterste best om hem dood te schieten, haalt de trekker over, en poef! Daar is de klootzak onderweg naar de hel en het slachtoffer leeft door! Wat zeg je daar van?” “Dan heeft hij zichzelf doodgeschoten?” vraagt God verbaasd. “Maar dat gaat toch tegen alle natuurwetten in? Je schiet een kogel op iemand af, die raakt doel, vernielt vitale delen van het lichaam, maar het slachtoffer leeft door, en de schutter, die niks heeft, die gaat dood?” “Nee!” roept Lucifer terwijl hij zijn vuisten balt. “Ben je nou God of niet? Je kunt daar toch wat mee doen? Laat dat wapen uit elkaar klappen of de andere kant op schieten, weet ik veel! Denk eens out of the box, man, wees eens creatief! Als zo’n klootzak schiet, dan moet het wel duidelijk zijn dat hij zelf de pijp uit gaat! Met barstend geweld! Daar kun je toch wel wat op bedenken?” “Nou ja, ” zegt God, “in principe zou dat best kunnen. Het heeft ook wel wat, de moordenaar zelf vermoord. God straft onmiddelijk. Ontploffende wapens, dáár zit wel wat in! Dan doet hij het zichzelf aan! En daar hoef ik ook niet zo gek veel voor te doen! Maar…” “Hoezo, maar?” roept Lucifer. “Je bent heel goed bezig! Ik zie het helemaal gebeuren! En ik help je volledig, ik ben je trouwste engel. Dat weet je.” “Ja,” zegt God bedachtzaam: “dat weet ik en ik snap ook best dat het kan werken. Het is niet eens zo moeilijk. Maar ik heb maar een beperkt gebied. Joden, Christenen en Moslims, dat is het wel. Al die anderen kan ik niks mee. Dat is toch wel een beetje raar, hè, als de natuurwetten alleen voor hen zijn omgedraaid en voor de rest niet?”
Lucifer gooit zijn handen omhoog en doet een paar stappen achteruit, daarbij God de kans gevend om zijn smeulende kleren met zijn handen te doven. “Maar dat is juist het mooie! Dat is je unique selling point! Als je een Christen bent, of een Jood of een Moslim, dan word je niet zomaar doodgeschoten! Je moordenaar gaat er aan! Nou, als dat geen reden is om in jou te gaan geloven, weet ik het ook niet meer!” God moet onwillekeurig lachen. Dat is de Lucifer die hij gemist heeft, al die jaren. Zo enthousiast, zo creatief en niet dat kruiperige wat die andere lui allemaal doen, nee, hier staat iemand waar je wat aan hebt! “En dat het niet voor atheisten geldt of voor boeddhisten of hindoes, zit er niet over in. Die moorden toch niet zo veel, dat valt bijna niet op. En goed, als ze dood gaan, dan heb je er ook geen last meer van. Die boeddhisten en die hindoes komen terug als wurmpje of als panda als ze wat meer karma hebben, en die andere lui zie je gewoon nooit weer. Die worden voer voor die wurmpjes. Merk je niks van.” Hij heeft gelijk, denkt God. Het zou kunnen werken en het is een stuk rechtvaardiger dan nu. Ach, die tien geboden stammen nog uit de tijd dat je er echt een hoop werk voor moest doen om iemand dood te maken maar tegenwoordig is het zo simpel, mensen vergeten soms gewoon dat ze iemand vermoord hebben. Kwestie van boem en oeps, het is zo gemakkelijk om dat maar te laten gaan. Maar als je het omdraait, dan gaan ze zelf het hoekje om, door hun eigen hand. En dan is wel meteen de schuldige opgeruimd! Hij staat voor het eerst sinds jaren op uit zijn stoel en kijkt welwillend naar zijn ooit favoriete engel die in een spoor van verkoolde struiken brandend en rokend door zijn tuin ijsbeert. “Je hebt een deal!”
Drie maanden later zit God weer uit te kijken over zijn tuin, waar nu groepjes mensen gezellig staan te keuvelen rond een heuse oliebollenkraam en hier en daar wat kinderen op schommels en wipkippen spelen, als er ineens een harde klap klinkt en een eucalyptusboom pardoes in brand vliegt. Daar staat Lucifer weer, nog groter dan vorige keer en met meterslange uitslaande vlammen om zich heen. Hij lacht weer bulderend en de mensen op het veld duiken gillend achter de struiken weg terwijl de lucht zwart kleurt. “Ik wou dat je eens wat minder dramatisch binnenkwam.” zegt God als hij van de schrik bekomen is. Maar Lucifer bruist van de energie, die laat zich niet intomen. “Nou, wat zei ik? Het gaat als een dolle!” “Dat kun jij wel zeggen, ” zegt God met het air van een boekhouder, “Nou heb ik de geweldrichting omgedraaid. Iedere moordenaar gaat zelf dood zoals hij zijn slachtoffer wilde pakken, maar er komen er niet minder binnen. Ik heb er op gelet, je hebt nog steeds files voor de hel.” “Jazeker!” zegt Lucifer: “maar dat is helemaal niet erg! Want wat er nou binnenkomt zijn die rotzakken. Die lui hebben het verdiend! Die krijgen het warmste onthaal wat je je maar kan bedenken! Ik heb van een foute Amerikaan een ouwe partij napalm op de kop getikt, je gelooft je ogen niet! En die vogel heeft niet eens door dat hij er zelf ook in gaat!” “Maar toch klopt het niet.” zegt God bedachtzaam. “Je zou toch verwachten dat het nu wat minder wordt. Iedere keer dat er eentje zichzelf doodschiet gaat dat met grof geweld. Het is heel duidelijk wat er gebeurd is. De schutters zijn altijd zwaar verminkt. Soms is er zelfs een heel stuk van het gezicht weg of zitten er gaten in het lichaam, zo zwaar zijn de explosies. Het moet nou toch een keer duidelijk worden?”
Dat raakt Lucifer. Zijn vlammen gaan op een laag pitje en hij kijkt serieus. “Je hebt gelijk” zegt hij zachtjes. “Daar baal ik ook echt van. Het gaat echt heel heftig. Iedere keer dat zo’n soldaat wat probeert, gaat het grof. Grote explosies. Het bloed spat alle kanten op, vaak zijn ze niet meer herkenbaar en kunnen ze alleen geïdentificeerd worden met hun dog tag. En dat is nog maar met handwapens! Bij het zwaardere geschut blijft er helemaal niks over. Bommenwerpers gaan over vele kilometers in hele kleine stukjes. ‘Rode regen’ wordt het genoemd, fragmenten vlees, staal en bloed vermengd met regenwater. Het is een compleet nieuw fenomeen. Maar ze blijven maar doorgaan.” Hij staat voorover gebogen, is wel een meter kleiner geworden. “Maar hoe kan dat dan?” vraagt God. “Waarom leren ze er nou niet van? Hoeveel moeten er nog dood? Zo stom zijn ze toch niet?” “Nee, ze zijn niet stom” zegt Lucifer. Maar als je wat wilt snappen, moet je het om te beginnen wel weten. En dat schort er aan. De pers pikt het gewoon niet op. Er is nog geen krant, geen televisiezender, geen website die het over rode regen gehad heeft. Die beelden van die zwaarverminkte soldaten, die afgerukte koppen, die zie je nergens. Het is net alsof het niet mag!” “Maar het is toch nieuws?” zegt God. “Dat moet toch in de krant? Op TV? Op Google, Facebook, Twitter, waar dan ook?” Lucifer is onder de indruk. Hij had niet gedacht dat God zo bij zou zijn in de nieuwe media. “Maar dat is nou net wat er aan de hand is. Ze hebben afgesproken dat ze hier niks over brengen. Maar wat ze wel brengen is een constante stroom propaganda over hoe akelig en gemeen die vijand is en waarom die allemaal dood moeten. En dat is te idioot voor woorden. Zo grof, dat geloof je niet. Iedere dag weer berichten dat ze worden bedreigd, dat ze móeten aanvallen. En dat doen ze dan. En dan gaan ze kapot, en naar de hel. Daarom gaat het alsmaar door.” God staat abrupt op en richt zich in zijn volle lengte op waardoor hij boven de gestalte van Lucifer uittorent. Bliksemschichten schieten uit zijn baard, zo kwaad is hij. “Kan dat zomaar? Kunnen die volksmenners maar doorgaan met mensen tegen elkaar op te zetten? Is er niemand die daar wat aan doet? Wat doe jij dan eigenlijk?” brult hij. Op de velden is al niemand meer te bekennen, zelfs de vlinders zijn gevlucht voor de toorn des Heeren.
Maar van duizenden jaren als het absolute Kwaad word je hard en Lucifer deinst niet terug maar richt zich weer op en kijkt God lang en doordringend aan. “Je weet donders goed dat ik alleen wat kan doen als ze dood zijn. Ik zie wat die rotzakken doen en ik erger me er kapot aan. Als ik mijn zin kreeg, dan gingen ze nu, op dit moment, onder helse pijnen naar de verdoemenis en stond ik ze op te wachten om ze voor de eeuwigheid te roosteren. Maar ik kan er niks mee! Ze leven nog, ze vermoorden niemand, ze plaatsen alleen wat berichtjes, dus dat blijven ze lekker doen. En ze worden er goed voor betaald, want ze krijgen hun orders uit de hoek waar het geld zit. En met die lui, de poppenspelers, gebeurt ook niks. Die kunnen doen wat ze willen. Maar ze jagen zoveel mensen de dood in, dat vreet me op. Mag je rustig weten.” En God ziet dat het oprecht is. “Dus als ik het goed begrijp” zegt hij bedachtzaam: “dan zijn de meeste moordenaars die jij nu binnenkrijgt alleen maar pionnen. Willoze, gehersenspoelde jochies van amper twintig die wat om zich heen schieten. Maar de aanstichters, de oorlogshitsers, die blijven letterlijk buiten schot.” “Maar zo is het toch altijd geweest?” vraagt Lucifer. “Dat weet je toch? Zo lang er oorlogen zijn worden de moorden gepleegd door het voetvolk. De echte misdadigers blijven buiten schot. Maar vergis je niet, die pionnen slaan op een gegeven moment door en dan blijven ze moorden. Kijk maar naar die Eric Prince van Blackwater, begonnen als een marinier, later directeur van een professionele genocidemachine met honderdduizend gewetenloze moordenaars in dienst. En al zijn werknemers keurig getraind in het Amerikaanse leger. Die blijven moorden zolang ze niet doodgeschoten worden!” “Maar toch, ” zegt God, “je kunt al die soldaten zichzelf dood laten schieten, maar zolang je de marionettenspelers niet aanpakt blijven er steeds maar nieuwe komen, bij duizenden tegelijk. Het is dweilen onder een waterkanon!”
“Maar wat kan ik doen?” roept Lucifer en zijn vlammen doven bijna uit. “Ik ben het volledig met je eens. Maar ik kan ze niet pakken. Ik ben een player, ik kan mensen verleiden, ik ben een soort van autoverkoper. Maar deze lui zijn zo hard, die geven niks om wat dan ook. Normaal speel ik op de zwakheden van mensen in. Daarmee kan ik ze sturen. Maar hier zit niks menselijks in. Ik kom er niet door. Dus blijven ze doorgaan. En daar baal ik zo verschrikkelijk van.” Maar God is helemaal opgeladen, vastbesloten om tot een oplossing te komen. “Hee, het zijn maar mensen op een lullig planeetje ergens in een hoekje van een achterafmelkweg. Hoe moeilijk kan het zijn?” “Wat stel je voor?” vraagt Lucifer. Hij lijkt uitgeblust, ingezakt. Er zit bijna geen vuur meer in. “Hard, maar rechtvaardig.” zegt God. “Hoe bedoel je dat?” vraagt Lucifer, die geen idee heeft van waar dit in Godsnaam heen gaat. “Wat denk je van de Dag des Oordeels?” vraagt God, en er verschijnt een voorzichtige glimlach onder zijn baard. “Mooi idee, “zegt Lucifer: “maar geen idee of het uitvoerbaar is. Om eerlijk te zijn vond ik het altijd een beetje te bombastisch. Dat je de hele wereld tegelijk door een loket trekt, iedereen moet in een vakje en dat is het dan. Daarna gebeurt er niks meer. Het spijt me dit te moeten zeggen, maar je had er wel wat beter over kunnen nadenken. Dit is niks.” God barst in lachen uit. Het is een bevrijding om eindelijk een eerlijke gesprekspartner te hebben in plaats van al die glimmende jaknikkers! “Je hebt gelijk” zegt hij: “en ik héb er over nagedacht. We gaan het heel anders doen. Waarom zouden we die arme sloebers door het laatste oordeel trekken? Die kunnen nog best een tijdje mee en als we hun leventje wat kunnen opkrikken, dan vinden ze dat prima! Maar we gaan wél een Dag des Oordeels doen! Maar dan alleen voor de klootzakken, zoals jij ze noemt. Voor die types die gigantische hopen geld verdiend hebben door anderen de oorlog in te sturen! En de propagandisten! En al die gewone mannetjes, die leven nog lang en gelukkig als de klootzakken weg zijn.” Hij bloost er een beetje van, maar hij merkt dat hij die stoere taal wel lekker vindt.
“Maar hoe moet dat dan?” vraagt Lucifer, die God ondertussen volledig kwijt is. “Natuurgeweld.” zegt God. “Donder, bliksem, aardbevingen, wat dan ook. Klootzakken aan de kust kunnen een tsunami over zich heen krijgen. We gaan alle registers opentrekken, en hoe dan ook, ze gaan voor de bijl! Wat denk je dáár van, Lucifer?” Het duurt een tijdje voor het tot de duivel doordringt. “Meen je dat echt?” vraagt hij, een beetje timide, “ga je dat echt doen?” God richt zich in zijn volle lente op en zet zijn zwaarste stem op. “Er zal geween zijn, en geknars van tanden!” “Godverdomme!” zegt Lucifer, zwaar onder de indruk. “Nee, geen tijd voor en bovendien heb ik dat al gedaan. ” zegt God. “We gaan klootzakken aanpakken! Ik laat Gabriel nu uitzoeken wie we moeten hebben, ik schat dat we zondag om deze tijd wel meer weten. Dus, ga nou lekker naar huis, rust goed uit en zorg dat je organisatie er klaar voor is, want zondag krijg je me toch een hoop ellende over je heen, dat wil je niet weten! Klokslag twaalf uur hier!”
Als Lucifer enige dagen later weer met veel vuur en barstend geweld in de Hemel verschijnt, is er niemand die schrikt. Er klinkt zelfs applaus! En het ziet er daar heel anders uit. Er is een soort van arena ingericht met daar om heen een enorme tribune die vol met in het wit geklede mensen zit. De boel is feestelijk ingericht, alsof er een grote opvoering gaat plaatsvinden. Overal vlaggetjes, slingers, lampjes, en grote luidsprekers. In het midden van de arena staat een gigantische witte troon waar een scharlakenrode loper heen leidt en op die loper staat God in zijn volle glorie, met naast hem een grote, woeste noorman compleet met helm met hoorns, cape, schild en wilde rode baard. Bliksemschichten schieten uit zijn ogen. Hij heeft zware ijzeren handschoenen aan beide handen en houdt met zijn rechterhand een enorme hamer vast en in zijn linkerhand een menselijke schedel die overstroomt met donker, schuimend bier. “Wat is dit?” zegt Lucifer lachend: “bier in de hemel?” “Dit is Donar” zegt God, “hij komt van Asgaard en treedt vandaag op als mijn adviseur.” “Noem me maar Thor, dat doet iedereen” zegt Donar met een stem die ergens diep uit de aarde lijkt te komen. “Ik heb over je gehoord, man van de Hel. Drink met me.” En hij biedt Lucifer de schedel met bier aan. “Ik heb ook over jou gehoord” zegt Lucifer en hij doet een paar stappen stap naar voren om de drank aan te nemen. Maar Donar staat stokstijf en laat niet los. Zijn blik is strak gericht op Lucifer, hij knippert niet, zegt maar één woord : “Loki!”
“Nee, Lucifer.” zegt de duivel terwijl hij terugdeinst. Ook God kijkt verbaasd, de mensen op de tribunes houden hun adem in. Het wordt heel stil. “Dat is Loki, God van Leugen en Bedrog, vader van de Hel.” zegt Donar op luide toon. “Hij is meester in vermommingen, zelfs zo goed dat hij zich ooit als merrie voordeed, toen zwanger werd en daarna de machtige hengst Sleipnir baarde! Daar was ik bij! Loki, god van het vuur, veroorzaker van ellende overal waar hij gaat! Jij hoort vastgebonden te zitten tot de Ragnarok! Hoe kom je hier?” Lucifer heeft zich herpakt en lacht vriendelijk naar Donar. “Wij demons van het hellevuur lijken allemaal op elkaar, door de vlammen denk ik. Ik ben Lucifer, ook wel Satan genoemd, geen Loki!” “Ik ken jou!” zegt Donar. Ik heb vele avonturen met jou beleefd, je kunt je nog zo vermommen, maar ik herken je aan je ogen en aan hoe je loopt, wat ben je van plan, Loki?” “Ik ben Loki niet!” brult Lucifer. Dan kraait er ergens een haan die door het geschreeuw wakker is geworden, en dat breekt de spanning. “Luister, Donar,” zegt God. “Ik ken Lucifer al een paar duizend jaar. Ik heb hem zelf de hemel uitgeschopt destijds. Als je denkt dat hij Loki is, dan geef ik je alle ruimte om dat uit te zoeken, maar eerst hebben we een taak te verrichten.” De tribune slaakt een collectieve zucht van verlichting.
Lucifer loopt meteen naar God en gaat vlak naast hem staan. “Wat is het plan?” vraagt hij. De sfeer is gespannen, iedereen voelt dat dit een belangrijke dag is. De ogen van God bewegen steeds, hij houdt alles in de gaten. “Lucifer” zegt hij, “Welkom. Wees getuige van de Grote Afrekening. Na afstemming met Donar hier heb ik besloten om de grootste zondaars met gerichte precisiebliksemschichten dood te slaan, waarna ze linea recta naar de hel gaan en jij met hen kunt doen wat je wilt.” “Ik heb al een speciale baan vrijgemaakt, een soort van spitsstrook zeg maar, op de weg naar de hel, zodat ze met voorrang kunnen worden opgenomen.” zegt Lucifer op serieuze toon. Hij voelt wel aan dat hij zich naar de sfeer moet gedragen, en het ís een belangrijk evenement. “Dat gebeurt volledig simultaan” zegt God. Het wordt één machtige klap die alle machtigen der aarde wegneemt. Bankiers, presidenten, wapenhandelaars, hedgefundmanagers, CEO’s, de lijst is lang. Maar het is belangrijk dat ze in één keer gaan, dan kan er niemand de macht overnemen. Daarna zijn er nog een paar klappen gepland voor de diepere lagen. Is het duidelijk?” Donar knikt plechtig en ook Lucifer buigt kort het hoofd.
“Mag ik je verzoeken, Donar?” zegt God, waarop Donar, die nog steeds wat argwanend naar Lucifer stond te kijken, zijn machtige hamer oppakt en er ritmisch mee in het zwerk begint te kloppen. De lucht knettert, de spanning bouwt zichtbaar op. Donars lange rode baardharen steken als harde stekels alle kanten op en ook de baard van God richt zich knallend op. In de gitzwarte lucht zweeft overal licht en in de stratosfeer schieten al bliksemschichten heen en weer. Om de hele aarde heen hangt een spanning van miljarden volts. “Dank je, Donar.” zegt God: “vanaf hier neem ik het over.” Donar knikt nogmaals en verdwijnt zonder een woord te zeggen. God richt zich in zijn volle lengte op en spreidt zijn armen in een majestueus gebaar. Uit zijn open handen vloeit er nóg meer energie naar de aarde die steeds meer oplicht, totdat zij feller gloeit dan de zon. Dan sluit hij zijn ogen. Er heerst absolute stilte op de tribune, iedereen begrijpt dat God zich moet concentreren.
Plotseling barst de hele atmosfeer van de aarde in een helse explosie uit elkaar. Onder een bombardement van duizenden bliksemschichten en vuurballen stort God neer. Hij blijft levenloos liggen. Een woeste vuurstorm rolt met een snelheid van honderden kilometers per uur door de hemel en vaagt daarbij alles op zijn pad weg. En boven het geraas van de storm uit klinkt tot in alle uithoeken van Hemel en Aarde de bulderende lach van Loki.
Sierk Meijer, 26 november 2017.








