Dooie Boel B.V.

dooieboel

God zit wat dromerig voor zich uit te kijken over de velden van de hemel. Het is een rustige dag. Net als altijd, denkt hij. Hij hoort niks, of vrijwel niks, want heel vaag klinkt er wat gepingel met zo nu en dan een valse toon er door. Dat is het kleuterklasje van de nonnen, waar de kinderen druk bezig zijn met hun harplessen. Net als iedere dag, denkt hij. En het wordt maar niet anders, want kleuters blijven kleuters en die spelen nou eenmaal niet geweldig harp, al hoe hard de nonnetjes hun best ook doen. Maar de zusters vinden het geweldig en de kindjes hebben de grootste lol, dus dat past wel in de hemel. Maar het wordt na al die jaren wél wat eentonig, denkt hij. Hij zucht eens diep en kijkt nog maar eens om zich heen. Maar er gebeurt niks.

Plotseling hoort hij iemand rennen en al gauw komt er een hijgende engel in beeld. “Heer, er is iemand bij de deur!” Hij kijkt verstoord op: “Nou, roep Petrus dan! Je weet toch hoe de intakeprocedure gaat, hoe lang ben je hier eigenlijk?” De engel krimpt in elkaar en flappert wat nerveus met zijn vleugels. “Tweeduizend jaar, Heer, en natuurlijk ken ik de procedure, met uw welnemen, o, doorluchtige, maar het is geen nieuwe inwoner!” Hij ergert zich een beetje aan dat kruiperige type en besluit streng op te treden. “Nou, wie is het dan? Voor de dag er mee, man, en rap een beetje!” De engel wordt zo mogelijk nog zenuwachtiger onder de toorn des Heren en jammert zachtjes. “Het is die van de andere kant, Heer, u weet wel!” Maar dat laat hij zomaar niet over zich heen gaan. Hij besluit de engel hard aan te pakken. “Wat bedoel je man, van de andere kant? Is hij van de herenliefde of zo? Wees eens duidelijk kerel, en hou op met dat geklapper met je gebit!” Dat wordt de engel te veel en hij stort huilend in elkaar. God vraagt zich af of hij nu te ver is gegaan en of hij nu zijn barmhartige kant moet tonen, als er naast hem een struik in brand vliegt. Hij kijkt verschrikt op. Dan hoort hij iemand bulderend lachen.

Met een harde klap verschijnt er voor hem een grote, vurige gestalte op het perfect geknipte gazon. Hij is wel twee keer zo groot als een engel, bloedrood en gehuld in uitslaande vlammen. Uit zijn woeste kop steken twee grote, vlijmscherpe hoornen en zijn hele lichaam is behangen met gouden sieraden. Zijn ogen schieten witheet vuur, zijn stem is hard, spottend: “Hoe is het, ouwe?” “Verdikke, Lucifer, wat laat je me schikken !” roept God net iets te luid en te hoog. De duivel lacht, het geluid rolt donderend door de tuin. De jammerende boodschapengel kruipt zo snel hij kan weg. “Wat kom je hier doen?” vraagt God terwijl hij van de schrik probeert te bekomen. “Je komt hier anders nooit! Wat moet je?” Lucifer blijft staan en kijkt op hem neer: “Nou, kijken hoe het met jou is, natuurlijk, o Heer der Heerscharen, of je niet weer van die rare dingen doet als toen in Getsemane!” Dat is tegen het zere been. “Rare dingen? Daar is een hele religie op gebouwd!” Lucifer lacht weer en lijkt oprecht geamuseerd. “Ja, dat heb ik nooit begrepen. Jij in een jurk op aarde rondlopen en roepen dat je Jezus was. Tegenwoordig word je daarvoor opgepakt.” “Toen ook” zegt God kalmpjes.” “Ja, breek me de bek niet los, dat was gewoon genant, daar wilde ik toen echt niet bij horen! Dat over the top gedoe met dat kruis, man, man, wat een drama! Maar goed dat je niet gestenigd werd, dan had de halve wereld nu een zakje grint aan de muur hangen! Het had zo niet gehoeven weet je, dat probeerde ik je nog te vertellen. Ik heb je van alles aangeboden. Brood, een goed onderdak in Jeruzalem, ik had zelfs een goeie positie in de tempel voor je geregeld! Maar je was zo dwars als een houtje, en net zo mager! Een raar, eigenwijs vel vol botten. Wat voor halve gare eet er nou veertig dagen niet, dan krijg je ook van die maffe ideeën, wat moest ik daar nou mee?” Daar valt weinig tegenin te brengen. Zo’n woestijn doet rare dingen met je.

Maar het gaat de duivel niet om ouwe koeien, hij heeft andere boodschap. Hij pakt er een stoel bij en gaat daar omgekeerd op zitten met zijn armen op de rugleuning en terwijl de stoel knetterend opbrandt, kijkt hij God doordringend aan. “Ik wou het eens over zaken hebben.” Dat had God niet verwacht. “Zaken? Wat voor zaken?” Zijn gast lacht schamper. “Ja, zaken. Klandizie. Bezettingsgraad. Gasten. Weet ik veel hoe je het noemt. Klantjes.” “Zielen.”zegt God: “dat heeft niks met zaken te maken, dat zijn geredde zielen die voor de eeuwigheid toetreden tot het Koninkrijk der Hemelen.” De demon doet zijn kop een beetje scheef en kijkt God net iets te lang aan met nog steeds die schampere glimlach. “Oké, jij je zin. Zielen. Maar dat loopt hier niet zo hard, hè?” Dat laat God zich niet zomaar zeggen. “We hebben hier vorige week nog vijfentwintig aan de poort gehad!” “Ja, vijfentwintig!” zegt Lucifer: “en hoeveel zijn er uiteindelijk binnengekomen? Nou?” Nu is het de beurt aan God om streng te kijken. “Je weet dat we een hele grondige intake hebben. Alleen wie zonder zonde is komt binnen.” De duivel zucht diep, je merkt dat hij zich ergert. “Ja, en dus bleven er maar twee over. De rest kreeg ik. En ik heb ze met voorrang binnen gelaten, die vrome kwezels. Man, we hebben net honderdveertig vrachtschepen met goede voornemens laten brengen, daar hebben we een nieuwe snelweg van gebouwd, naast de bestaande! En het is nog niet genoeg, iedere dag staat er een file van hier tot Bartlehiem. Ze komen met helicopters, zelfs met vliegtuigen vol de laatste tijd. We hebben het voorgeborchte al verdriedubbeld en nog zitten ze daar vijf hoog opgestapeld. En als ze dan eindelijk verder mogen, kunnen ze nergens heen. We nemen steeds nieuwe gebieden in gebruik, maar voordat je dat een beetje warm gestookt hebt ben je wel weer een maandje verder. Goed, ze klagen niet, of niet meer dan anders, want ze hebben geen idee wat hen te wachten staat, maar het is gewoon te veel. De zaken gaan te goed, man! En bij jou zit niks! Kijk nou eens om je heen! Het is hier Dooie Boel BV!”

En al wil God dat natuurlijk niet toegeven, hij weet best dat Lucifer gelijk heeft. Er komt gewoon niks binnen. Zo nu en dan een kindje omdat die nog wel puur zijn, maar dan moeten ze wél gedoopt zijn, anders telt het niet. En verder misschien een enkele kluizenaar die zijn leven lang alleen heeft gewoond met geen enkele gelegenheid om rottigheid uit te vreten en dus maar hele dagen psalmen zong. En dan natuurlijk de nonnen. Die vinden allemaal dat ze met hem getrouwd zijn en hebben natuurlijk hun hele leven aan hem gewijd, maar o wee als ze gezondigd hebben, dan gaan ze toch naar het vagevuur, echtgenote of niet. “Nou, het is niet echt druk. Maar dat is de bedoeling ook, de hemel is een serene plek.” zegt hij op redelijke toon. “Maar doodsaai, want er gebeurt hier niks.” zegt Lucifer, die zich duidelijk ergert. “Kijk nou eens, man, het staat hier al eeuwen stil! En in de moslimsectie? Ook niet veel beter zeker?” Nee, dat moet God toegeven. Ook daar komt maar sporadisch iemand binnen en die gaan dan ook vaak meteen mopperen. “Ja, daar heerst ook een hemelse sfeer” zegt hij ontwijkend: “zeer kalm, al zit ik me wel eens af te vragen of we niet iets aan die maagden moeten doen. Ik bedoel: het is hen beloofd en ze zijn er ook, maar het concept lijkt niet helemaal duidelijk. Het gaat vooral om wat een maagd een maagd maakt.” Daar moet de duivel bulderend om lachen. “Dat vind ik nog steeds een geweldige streek van je! Die lui willen van dattum, lekker rampetampen met die meiden, maar dat gaat niet door, he? Dan ben je echt een partij besodemieterd!” Je kunt aan God zien dat hij het hier al een tijd moeilijk mee heeft. “Maar er staat geschreven: 72 eeuwige maagden, en als die er dan zijn, is het weer niet goed.” “Sorry dat ik het moet zeggen” zegt Lucifer: “maar gottegot, wat ben je naïef. Die lui komen hier om te neuken. Daar hebben ze hun hele leven heen geleefd en dan zijn ze hier goed en wel, en dan krijgen ze te horen dat je dat niet met een maagd kunt doen, want dan is het geen maagd meer. En er zijn er maar 72 voor de hele club? En al die kerels maar constant met een harde piemel rondlopen!” ” Tja,” zegt God: “dat van die eeuwigdurende erectie staat óók in de heilige geschriften, dus dat krijgen ze ook. Beloofd is beloofd. Maar die maagden zijn tenminste wél heel groot, dat scheelt ook.” Lucifer kijkt verbaasd, dat had hij nog niet gehoord. “Hoe groot dan wel?” “Eenendertig meter.” zegt God. Daar valt Lucifer’s mond van open. “Waarom in godsnaam zo idioot groot?” “Dat staat geschreven” zegt God: “in een Hadith, en die horen bij mijn woord. Dus moet ik me daar aan houden en zijn ze inderdaad in gods naam zo groot.” De duivel lacht zo hard dat de wijde omtrek beweegt. “Eenendertig meter! Dan hebben ze tieten als bushokjes!” “En appetijtelijke vagina’s ” zegt God droogjes. “Ook dat staat geschreven.” Dat is zelfs de duivel te veel. Hij giert het uit. “Maar niemand kan er bij!” zegt hij terwijl de tranen sissend over zijn wangen lopen. “Geen wonder dat ze eeuwig maagd blijven!” Als hij weer een beetje bijgekomen is, zegt hij: “God, wat ben jij erg, zeg. Dan kun je die lui nog beter in de fik steken! Ik heb dat nooit zo meegekregen wat je met die Mohammed deed, dat rare franchise-idee snapte ik toch al niet, maar dit is écht gestoord!” God houdt zich wijselijk stil en glimlacht slechts.

Maar Lucifer is vastbesloten om terzake te komen. “Zeg, ik weet dat jij en ik wel eens wat woorden hebben gehad, maar…” En nu is het aan God om schamper te lachen. “Wat woorden? Ik heb je de hemel uit getrapt!” “Ach, ja” zegt Lucifer: “Jij had op dat moment een bad guy nodig, en ik was wat opstandig en je beste man, dus je greep je kans. Zo simpel is het. Laten we elkaar geen mietje noemen, zaken zijn zaken.” Zulke taal is God niet gewend, maar hij knikt instemmend. “Ja, zo kun je het ook bekijken. Laat maar eens horen dan.” “Mooi. Kijk, zoals ik al zei: wij hebben het veel te druk en bij jou gebeurt niks. Dat is niet goed. Het is alsof je McDonalds en Frietvanpiet tegenover elkaar zet, er is geen balans. Dat is voor geen van beiden goed. Dus daar moeten we wat aan doen.” Daar kijkt God toch van op. “Wat stel je dan voor?”

“Hard, maar rechtvaardig.” zegt de duivel en kijkt er bij alsof hij bloemetjes en bijtjes aan een driejarige probeert uit te leggen, maar het komt bij God toch niet echt binnen. “Hoe bedoel je?” “Je moet begrijpen dat ik die lui allemaal zie.” zegt Lucifer, en kijkt God daarbij doordringend aan, zijn ogen schieten vuur. “Allemaal. Van de klootzak die als kind de hond al schopte en zijn hele leven lang een akelig mannetje is gebleven tot de gewetenloze bankman die met één druk op de knop een heel land naar de verdommenis helpt. Maar ook de sloeber die zijn leven lang zijn best heeft gedaan, die iedere zondag braaf in de kerk heeft zitten zingen en er heilig in geloofde, maar ooit een één keer na een lullig bedrijfsuitje met teveel drank op thuiskwam en toen met de handen onder de dekens is gaan slapen. Tja, tis zonde, maar wat moet ik met zo’n man? Die is zo vroom als de hel en nou moet ik hem voor de eeuwigheid op de barbecue leggen. Dat heeft zo’n man niet verdiend! Of zo’n arme boer, die het beste voor zijn gezin wou en alles deed wat hij maar kon, maar daarbij één keer een tank benzine vergat af te rekenen. Ja, dat is een zondaar, he, maar als er iemand bij jou op harples moest is hij het wel! Weet je ik krijg de laatste tijd een enorme hoop oorlogsslachtoffers die allemaal een gewoon leven hebben gehad voordat ze door een kogel of een bom weggevaagd werden en daar zit ik dan mee, want het zijn allemaal aardige lui. Die hebben nooit kwade bedoelingen gehad, maar iedere koe heeft wel een vlekje. Dus komen ze bij mij en gaan ze in de hens. En dat vreet aan me. Want die hufters die hen doodgemaakt hebben, die lopen nog op aarde rond en maken er nog meer dood en die komen dan ook allemaal bij mij, behalve de atheïsten dan, die gaan gewoon dood, en de hindoes gelukkig ook niet, die worden gerecycled, maar toch, ze blijven maar komen, behalve de moordenaars en dat klopt gewoon niet!”

“Maar regels zijn regels” zegt God: “anders zou het maar een zootje worden en kon iedereen het Koninkrijk Gods binnengaan, maar voorwaar, ik zeg u: nog eerder zal een kameel…” “Ach, sodemieter toch op met je kameel” zegt Lucifer, zichtbaar geërgerd. “Er lopen figuren rond die zo veel geld hebben dat ze een kwart van de wereldbevolking zouden kunnen redden, maar daar denken ze niet aan. Ze blijven maar graaien. Apple heeft honderden miljarden dollars in een belastingparadijs zitten en ondertussen plegen de chinezen in hun fabrieken van pure ellende zelfmoord. Goed, die topman komt uiteindelijk wel bij mij en dan gaat hij aan het spit, maar nu leeft hij als god in Frankrijk en niemand die er wat aan doet! En al die oorlogen! Mensen gaan bij duizenden kapot, er zijn nog nooit zoveel wapens gebruikt als nu! Soldaten over de hele wereld die onschuldige mensen uitmoorden. En waarom? Omdat er weer een ellendeling in een duur pak daar geld aan moet verdienen! God, wat zou ik die lui graag roosteren! Nu al, terwijl ze daar nog rondlopen! Dát gekerm en geknars van tanden wil ik horen! Niet dat van die schlemielen, maar van die rotzakken!” Hij is steeds harder gaan praten en de omgeving wordt al wat onrustig. “Maar wat wil je dan?” vraagt God. “Het is zoals het is, je krijgt ze niet eerder dan dat ze dood zijn en zonde is nou eenmaal zonde.” “Rechtvaardigheid!” roept Lucifer terwijl het vuur uit zijn ogen spat. “Vergeef die schlemielen nou eens wat meer en pak de echte rotzakken keihard aan. Vergeef ons onze schulden bidden ze toch altijd? Nou, doe dat dan. De kleintjes dan. Op je duim geslagen, godverdomme geroepen? Het zij je vergeven als je verder je best doet. Dat soort werk!”

God is er stil van. Er is ook geen speld tussen te krijgen en ach, hij vloekt zelf ook wel eens, gewoon omdat het lekker oplucht. En dat met die Maria destijds, dat was eigenlijk ook een buitenechtelijke relatie, al was het maar één keer… “Vooruit!” zegt hij. “Jij je zin. We gaan wat pragmatischer worden, niet voor iedere onzedelijke gedachte meer naar de hel, daar kan ik wel wat mee. Anders nog wat?” Maar zo gemakkelijk laat de duivel zich niet afschepen. “Ja, toevallig wel! Je moet wat aan die klootzakken doen. Dat gemoord loopt de spuigaten uit, bij duizenden tegelijk en ze worden er verdomme nog stokoud mee ook! Dat gaat zo niet langer. Doe er wat aan!” “Maar wat dan?” zegt God. We kunnen er pas wat mee als ze dood zijn, dan gaan die moordenaars allemaal naar jou en mag je er mee doen wat je wilt. Heb je dat meer nog, wat tegelijk van ijs is en in brand staat? Dat vond ik altijd wel een slimme vondst van je!” “Dat was een ideetje van die Italiaan, Dante” zegt Lucifer, “en dat heb ik meteen maar toegepast, altijd een groot succes. Hij zit er zelf ook in. Maar weet je wat je moet doen? Terug naar de basis. De vreze Gods. Meer PR voor Hel en Verdoemenis. Ze hebben er allerlei smoesjes omheen bedacht, dat het eigenlijk wel mag als je van de regering bent, dat het eigenlijk niet voor hen geldt, noem maar op. Dat moet veranderen. No mercy!” Het klinkt allemaal wel logisch, maar God kan er nog niks mee. Hij kijkt rond over het eeuwig groene gras, de veel te fleurige bloemen, de ronddwarrelende vlinders en schudt zijn hoofd. “En hoe moet dat dan?”

Daar heeft Lucifer op gewacht. Hij richt zich in zijn volle lengte op van het vurige fantoom van het al lang verbrande terrasstoeltje en beent met grote passen tot vlak voor God. “Revolutie! Keer het eens om!” God kijkt als een koe naar een trein en klopt de vlammen uit zijn baard. “Wat?” “Nou,” zegt Lucifer: “keer het effect om! Wat gebeurt er nu? Je hebt een klootzak met een geweer en die schiet op iemand, en hup, diegene is dood en daar gaattie, onderweg naar de hel! Maar als je het nou eens omkeert? Klootzak bedreigt iemand met een wapen, richt, doet zijn uiterste best om hem dood te schieten, haalt de trekker over, en poef! Daar is de klootzak onderweg naar de hel en het slachtoffer leeft door! Wat zeg je daar van?” “Dan heeft hij zichzelf doodgeschoten?” vraagt God verbaasd. “Maar dat gaat toch tegen alle natuurwetten in? Je schiet een kogel op iemand af, die raakt doel, vernielt vitale delen van het lichaam, maar het slachtoffer leeft door, en de schutter, die niks heeft, die gaat dood?” “Nee!” roept Lucifer terwijl hij zijn vuisten balt. “Ben je nou God of niet? Je kunt daar toch wat mee doen? Laat dat wapen uit elkaar klappen of de andere kant op schieten, weet ik veel! Denk eens out of the box, man, wees eens creatief! Als zo’n klootzak schiet, dan moet het wel duidelijk zijn dat hij zelf de pijp uit gaat! Met barstend geweld! Daar kun je toch wel wat op bedenken?” “Nou ja, ” zegt God, “in principe zou dat best kunnen. Het heeft ook wel wat, de moordenaar zelf vermoord. God straft onmiddelijk. Ontploffende wapens, dáár zit wel wat in! Dan doet hij het zichzelf aan! En daar hoef ik ook niet zo gek veel voor te doen! Maar…” “Hoezo, maar?” roept Lucifer. “Je bent heel goed bezig! Ik zie het helemaal gebeuren! En ik help je volledig, ik ben je trouwste engel. Dat weet je.” “Ja,” zegt God bedachtzaam: “dat weet ik en ik snap ook best dat het kan werken. Het is niet eens zo moeilijk. Maar ik heb maar een beperkt gebied. Joden, Christenen en Moslims, dat is het wel. Al die anderen kan ik niks mee. Dat is toch wel een beetje raar, hè, als de natuurwetten alleen voor hen zijn omgedraaid en voor de rest niet?”

Lucifer gooit zijn handen omhoog en doet een paar stappen achteruit, daarbij God de kans gevend om zijn smeulende kleren met zijn handen te doven. “Maar dat is juist het mooie! Dat is je unique selling point! Als je een Christen bent, of een Jood of een Moslim, dan word je niet zomaar doodgeschoten! Je moordenaar gaat er aan! Nou, als dat geen reden is om in jou te gaan geloven, weet ik het ook niet meer!” God moet onwillekeurig lachen. Dat is de Lucifer die hij gemist heeft, al die jaren. Zo enthousiast, zo creatief en niet dat kruiperige wat die andere lui allemaal doen, nee, hier staat iemand waar je wat aan hebt! “En dat het niet voor atheisten geldt of voor boeddhisten of hindoes, zit er niet over in. Die moorden toch niet zo veel, dat valt bijna niet op. En goed, als ze dood gaan, dan heb je er ook geen last meer van. Die boeddhisten en die hindoes komen terug als wurmpje of als panda als ze wat meer karma hebben, en die andere lui zie je gewoon nooit weer. Die worden voer voor die wurmpjes. Merk je niks van.” Hij heeft gelijk, denkt God. Het zou kunnen werken en het is een stuk rechtvaardiger dan nu. Ach, die tien geboden stammen nog uit de tijd dat je er echt een hoop werk voor moest doen om iemand dood te maken maar tegenwoordig is het zo simpel, mensen vergeten soms gewoon dat ze iemand vermoord hebben. Kwestie van boem en oeps, het is zo gemakkelijk om dat maar te laten gaan. Maar als je het omdraait, dan gaan ze zelf het hoekje om, door hun eigen hand. En dan is wel meteen de schuldige opgeruimd! Hij staat voor het eerst sinds jaren op uit zijn stoel en kijkt welwillend naar zijn ooit favoriete engel die in een spoor van verkoolde struiken brandend en rokend door zijn tuin ijsbeert. “Je hebt een deal!”

Drie maanden later zit God weer uit te kijken over zijn tuin, waar nu groepjes mensen gezellig staan te keuvelen rond een heuse oliebollenkraam en hier en daar wat kinderen op schommels en wipkippen spelen, als er ineens een harde klap klinkt en een eucalyptusboom pardoes in brand vliegt. Daar staat Lucifer weer, nog groter dan vorige keer en met meterslange uitslaande vlammen om zich heen. Hij lacht weer bulderend en de mensen op het veld duiken gillend achter de struiken weg terwijl de lucht zwart kleurt. “Ik wou dat je eens wat minder dramatisch binnenkwam.” zegt God als hij van de schrik bekomen is. Maar Lucifer bruist van de energie, die laat zich niet intomen. “Nou, wat zei ik? Het gaat als een dolle!” “Dat kun jij wel zeggen, ” zegt God met het air van een boekhouder, “Nou heb ik de geweldrichting omgedraaid. Iedere moordenaar gaat zelf dood zoals hij zijn slachtoffer wilde pakken, maar er komen er niet minder binnen. Ik heb er op gelet, je hebt nog steeds files voor de hel.” “Jazeker!” zegt Lucifer: “maar dat is helemaal niet erg! Want wat er nou binnenkomt zijn die rotzakken. Die lui hebben het verdiend! Die krijgen het warmste onthaal wat je je maar kan bedenken! Ik heb van een foute Amerikaan een ouwe partij napalm op de kop getikt, je gelooft je ogen niet! En die vogel heeft niet eens door dat hij er zelf ook in gaat!” “Maar toch klopt het niet.” zegt God bedachtzaam. “Je zou toch verwachten dat het nu wat minder wordt. Iedere keer dat er eentje zichzelf doodschiet gaat dat met grof geweld. Het is heel duidelijk wat er gebeurd is. De schutters zijn altijd zwaar verminkt. Soms is er zelfs een heel stuk van het gezicht weg of zitten er gaten in het lichaam, zo zwaar zijn de explosies. Het moet nou toch een keer duidelijk worden?”

Dat raakt Lucifer. Zijn vlammen gaan op een laag pitje en hij kijkt serieus. “Je hebt gelijk” zegt hij zachtjes. “Daar baal ik ook echt van. Het gaat echt heel heftig. Iedere keer dat zo’n soldaat wat probeert, gaat het grof. Grote explosies. Het bloed spat alle kanten op, vaak zijn ze niet meer herkenbaar en kunnen ze alleen geïdentificeerd worden met hun dog tag. En dat is nog maar met handwapens! Bij het zwaardere geschut blijft er helemaal niks over. Bommenwerpers gaan over vele kilometers in hele kleine stukjes. ‘Rode regen’ wordt het genoemd, fragmenten vlees, staal en bloed vermengd met regenwater. Het is een compleet nieuw fenomeen. Maar ze blijven maar doorgaan.” Hij staat voorover gebogen, is wel een meter kleiner geworden. “Maar hoe kan dat dan?” vraagt God. “Waarom leren ze er nou niet van? Hoeveel moeten er nog dood? Zo stom zijn ze toch niet?” “Nee, ze zijn niet stom” zegt Lucifer. Maar als je wat wilt snappen, moet je het om te beginnen wel weten. En dat schort er aan. De pers pikt het gewoon niet op. Er is nog geen krant, geen televisiezender, geen website die het over rode regen gehad heeft. Die beelden van die zwaarverminkte soldaten, die afgerukte koppen, die zie je nergens. Het is net alsof het niet mag!” “Maar het is toch nieuws?” zegt God. “Dat moet toch in de krant? Op TV? Op Google, Facebook, Twitter, waar dan ook?” Lucifer is onder de indruk. Hij had niet gedacht dat God zo bij zou zijn in de nieuwe media. “Maar dat is nou net wat er aan de hand is. Ze hebben afgesproken dat ze hier niks over brengen. Maar wat ze wel brengen is een constante stroom propaganda over hoe akelig en gemeen die vijand is en waarom die allemaal dood moeten. En dat is te idioot voor woorden. Zo grof, dat geloof je niet. Iedere dag weer berichten dat ze worden bedreigd, dat ze móeten aanvallen. En dat doen ze dan. En dan gaan ze kapot, en naar de hel. Daarom gaat het alsmaar door.” God staat abrupt op en richt zich in zijn volle lengte op waardoor hij boven de gestalte van Lucifer uittorent. Bliksemschichten schieten uit zijn baard, zo kwaad is hij. “Kan dat zomaar? Kunnen die volksmenners maar doorgaan met mensen tegen elkaar op te zetten? Is er niemand die daar wat aan doet? Wat doe jij dan eigenlijk?” brult hij. Op de velden is al niemand meer te bekennen, zelfs de vlinders zijn gevlucht voor de toorn des Heeren.

Maar van duizenden jaren als het absolute Kwaad word je hard en Lucifer deinst niet terug maar richt zich weer op en kijkt God lang en doordringend aan. “Je weet donders goed dat ik alleen wat kan doen als ze dood zijn. Ik zie wat die rotzakken doen en ik erger me er kapot aan. Als ik mijn zin kreeg, dan gingen ze nu, op dit moment, onder helse pijnen naar de verdoemenis en stond ik ze op te wachten om ze voor de eeuwigheid te roosteren. Maar ik kan er niks mee! Ze leven nog, ze vermoorden niemand, ze plaatsen alleen wat berichtjes, dus dat blijven ze lekker doen. En ze worden er goed voor betaald, want ze krijgen hun orders uit de hoek waar het geld zit. En met die lui, de poppenspelers, gebeurt ook niks. Die kunnen doen wat ze willen. Maar ze jagen zoveel mensen de dood in, dat vreet me op. Mag je rustig weten.” En God ziet dat het oprecht is. “Dus als ik het goed begrijp” zegt hij bedachtzaam: “dan zijn de meeste moordenaars die jij nu binnenkrijgt alleen maar pionnen. Willoze, gehersenspoelde jochies van amper twintig die wat om zich heen schieten. Maar de aanstichters, de oorlogshitsers, die blijven letterlijk buiten schot.” “Maar zo is het toch altijd geweest?” vraagt Lucifer. “Dat weet je toch? Zo lang er oorlogen zijn worden de moorden gepleegd door het voetvolk. De echte misdadigers blijven buiten schot. Maar vergis je niet, die pionnen slaan op een gegeven moment door en dan blijven ze moorden. Kijk maar naar die Eric Prince van Blackwater, begonnen als een marinier, later directeur van een professionele genocidemachine met honderdduizend gewetenloze moordenaars in dienst. En al zijn werknemers keurig getraind in het Amerikaanse leger. Die blijven moorden zolang ze niet doodgeschoten worden!” “Maar toch, ” zegt God, “je kunt al die soldaten zichzelf dood laten schieten, maar zolang je de marionettenspelers niet aanpakt blijven er steeds maar nieuwe komen, bij duizenden tegelijk. Het is dweilen onder een waterkanon!”

“Maar wat kan ik doen?” roept Lucifer en zijn vlammen doven bijna uit. “Ik ben het volledig met je eens. Maar ik kan ze niet pakken. Ik ben een player, ik kan mensen verleiden, ik ben een soort van autoverkoper. Maar deze lui zijn zo hard, die geven niks om wat dan ook. Normaal speel ik op de zwakheden van mensen in. Daarmee kan ik ze sturen. Maar hier zit niks menselijks in. Ik kom er niet door. Dus blijven ze doorgaan. En daar baal ik zo verschrikkelijk van.” Maar God is helemaal opgeladen, vastbesloten om tot een oplossing te komen. “Hee, het zijn maar mensen op een lullig planeetje ergens in een hoekje van een achterafmelkweg. Hoe moeilijk kan het zijn?” “Wat stel je voor?” vraagt Lucifer. Hij lijkt uitgeblust, ingezakt. Er zit bijna geen vuur meer in. “Hard, maar rechtvaardig.” zegt God. “Hoe bedoel je dat?” vraagt Lucifer, die geen idee heeft van waar dit in Godsnaam heen gaat. “Wat denk je van de Dag des Oordeels?” vraagt God, en er verschijnt een voorzichtige glimlach onder zijn baard. “Mooi idee, “zegt Lucifer: “maar geen idee of het uitvoerbaar is. Om eerlijk te zijn vond ik het altijd een beetje te bombastisch. Dat je de hele wereld tegelijk door een loket trekt, iedereen moet in een vakje en dat is het dan. Daarna gebeurt er niks meer. Het spijt me dit te moeten zeggen, maar je had er wel wat beter over kunnen nadenken. Dit is niks.” God barst in lachen uit. Het is een bevrijding om eindelijk een eerlijke gesprekspartner te hebben in plaats van al die glimmende jaknikkers! “Je hebt gelijk” zegt hij: “en ik héb er over nagedacht. We gaan het heel anders doen. Waarom zouden we die arme sloebers door het laatste oordeel trekken? Die kunnen nog best een tijdje mee en als we hun leventje wat kunnen opkrikken, dan vinden ze dat prima! Maar we gaan wél een Dag des Oordeels doen! Maar dan alleen voor de klootzakken, zoals jij ze noemt. Voor die types die gigantische hopen geld verdiend hebben door anderen de oorlog in te sturen! En de propagandisten! En al die gewone mannetjes, die leven nog lang en gelukkig als de klootzakken weg zijn.” Hij bloost er een beetje van, maar hij merkt dat hij die stoere taal wel lekker vindt.

“Maar hoe moet dat dan?” vraagt Lucifer, die God ondertussen volledig kwijt is. “Natuurgeweld.” zegt God. “Donder, bliksem, aardbevingen, wat dan ook. Klootzakken aan de kust kunnen een tsunami over zich heen krijgen. We gaan alle registers opentrekken, en hoe dan ook, ze gaan voor de bijl! Wat denk je dáár van, Lucifer?” Het duurt een tijdje voor het tot de duivel doordringt. “Meen je dat echt?” vraagt hij, een beetje timide, “ga je dat echt doen?” God richt zich in zijn volle lente op en zet zijn zwaarste stem op. “Er zal geween zijn, en geknars van tanden!” “Godverdomme!” zegt Lucifer, zwaar onder de indruk. “Nee, geen tijd voor en bovendien heb ik dat al gedaan. ” zegt God. “We gaan klootzakken aanpakken! Ik laat Gabriel nu uitzoeken wie we moeten hebben, ik schat dat we zondag om deze tijd wel meer weten. Dus, ga nou lekker naar huis, rust goed uit en zorg dat je organisatie er klaar voor is, want zondag krijg je me toch een hoop ellende over je heen, dat wil je niet weten! Klokslag twaalf uur hier!”

Als Lucifer enige dagen later weer met veel vuur en barstend geweld in de Hemel verschijnt, is er niemand die schrikt. Er klinkt zelfs applaus! En het ziet er daar heel anders uit. Er is een soort van arena ingericht met daar om heen een enorme tribune die vol met in het wit geklede mensen zit. De boel is feestelijk ingericht, alsof er een grote opvoering gaat plaatsvinden. Overal vlaggetjes, slingers, lampjes, en grote luidsprekers. In het midden van de arena staat een gigantische witte troon waar een scharlakenrode loper heen leidt en op die loper staat God in zijn volle glorie, met naast hem een grote, woeste noorman compleet met helm met hoorns, cape, schild en wilde rode baard. Bliksemschichten schieten uit zijn ogen. Hij heeft zware ijzeren handschoenen aan beide handen en houdt met zijn rechterhand een enorme hamer vast en in zijn linkerhand een menselijke schedel die overstroomt met donker, schuimend bier. “Wat is dit?” zegt Lucifer lachend: “bier in de hemel?” “Dit is Donar” zegt God, “hij komt van Asgaard en treedt vandaag op als mijn adviseur.” “Noem me maar Thor, dat doet iedereen” zegt Donar met een stem die ergens diep uit de aarde lijkt te komen. “Ik heb over je gehoord, man van de Hel. Drink met me.” En hij biedt Lucifer de schedel met bier aan. “Ik heb ook over jou gehoord” zegt Lucifer en hij doet een paar stappen stap naar voren om de drank aan te nemen. Maar Donar staat stokstijf en laat niet los. Zijn blik is strak gericht op Lucifer, hij knippert niet, zegt maar één woord : “Loki!”

“Nee, Lucifer.” zegt de duivel terwijl hij terugdeinst. Ook God kijkt verbaasd, de mensen op de tribunes houden hun adem in. Het wordt heel stil. “Dat is Loki, God van Leugen en Bedrog, vader van de Hel.” zegt Donar op luide toon. “Hij is meester in vermommingen, zelfs zo goed dat hij zich ooit als merrie voordeed, toen zwanger werd en daarna de machtige hengst Sleipnir baarde! Daar was ik bij! Loki, god van het vuur, veroorzaker van ellende overal waar hij gaat! Jij hoort vastgebonden te zitten tot de Ragnarok! Hoe kom je hier?” Lucifer heeft zich herpakt en lacht vriendelijk naar Donar. “Wij demons van het hellevuur lijken allemaal op elkaar, door de vlammen denk ik. Ik ben Lucifer, ook wel Satan genoemd, geen Loki!” “Ik ken jou!” zegt Donar. Ik heb vele avonturen met jou beleefd, je kunt je nog zo vermommen, maar ik herken je aan je ogen en aan hoe je loopt, wat ben je van plan, Loki?” “Ik ben Loki niet!” brult Lucifer. Dan kraait er ergens een haan die door het geschreeuw wakker is geworden, en dat breekt de spanning. “Luister, Donar,” zegt God. “Ik ken Lucifer al een paar duizend jaar. Ik heb hem zelf de hemel uitgeschopt destijds. Als je denkt dat hij Loki is, dan geef ik je alle ruimte om dat uit te zoeken, maar eerst hebben we een taak te verrichten.” De tribune slaakt een collectieve zucht van verlichting.

Lucifer loopt meteen naar God en gaat vlak naast hem staan. “Wat is het plan?” vraagt hij. De sfeer is gespannen, iedereen voelt dat dit een belangrijke dag is. De ogen van God bewegen steeds, hij houdt alles in de gaten. “Lucifer” zegt hij, “Welkom. Wees getuige van de Grote Afrekening. Na afstemming met Donar hier heb ik besloten om de grootste zondaars met gerichte precisiebliksemschichten dood te slaan, waarna ze linea recta naar de hel gaan en jij met hen kunt doen wat je wilt.” “Ik heb al een speciale baan vrijgemaakt, een soort van spitsstrook zeg maar, op de weg naar de hel, zodat ze met voorrang kunnen worden opgenomen.” zegt Lucifer op serieuze toon. Hij voelt wel aan dat hij zich naar de sfeer moet gedragen, en het ís een belangrijk evenement. “Dat gebeurt volledig simultaan” zegt God. Het wordt één machtige klap die alle machtigen der aarde wegneemt. Bankiers, presidenten, wapenhandelaars, hedgefundmanagers, CEO’s, de lijst is lang. Maar het is belangrijk dat ze in één keer gaan, dan kan er niemand de macht overnemen. Daarna zijn er nog een paar klappen gepland voor de diepere lagen. Is het duidelijk?” Donar knikt plechtig en ook Lucifer buigt kort het hoofd.

“Mag ik je verzoeken, Donar?” zegt God, waarop Donar, die nog steeds wat argwanend naar Lucifer stond te kijken, zijn machtige hamer oppakt en er ritmisch mee in het zwerk begint te kloppen. De lucht knettert, de spanning bouwt zichtbaar op. Donars lange rode baardharen steken als harde stekels alle kanten op en ook de baard van God richt zich knallend op. In de gitzwarte lucht zweeft overal licht en in de stratosfeer schieten al bliksemschichten heen en weer. Om de hele aarde heen hangt een spanning van miljarden volts. “Dank je, Donar.” zegt God: “vanaf hier neem ik het over.” Donar knikt nogmaals en verdwijnt zonder een woord te zeggen. God richt zich in zijn volle lengte op en spreidt zijn armen in een majestueus gebaar. Uit zijn open handen vloeit er nóg meer energie naar de aarde die steeds meer oplicht, totdat zij feller gloeit dan de zon. Dan sluit hij zijn ogen. Er heerst absolute stilte op de tribune, iedereen begrijpt dat God zich moet concentreren.

Plotseling barst de hele atmosfeer van de aarde in een helse explosie uit elkaar. Onder een bombardement van duizenden bliksemschichten en vuurballen stort God neer. Hij blijft levenloos liggen. Een woeste vuurstorm rolt met een snelheid van honderden kilometers per uur door de hemel en vaagt daarbij alles op zijn pad weg. En boven het geraas van de storm uit klinkt tot in alle uithoeken van Hemel en Aarde de bulderende lach van Loki.

Sierk Meijer, 26 november 2017.

In de kast.

kast

“Center Parcs maar doen? Dat vinden ze altijd leuk.” zeg ik. “Of dat andere parkje, zo’n blokhut in het bos? Dat is wat stoerder, meer cowboy-achtig.” “Nee,” zegt Paul. “Doe deze maar gewoon in het hotel. Wat ik er van hoor is het iemand die werkt en slaapt, tussendoor wat eten en een borrel, maar meer niet.” Hij draait zich om en wil al weglopen, maar daar steek ik even een stokje voor. “En qua entertainment?” “Ja, god, weet ik het, eten of zo? Het is zo’n ouwe engineer. Maar wel een hoge. Bedenk maar wat.” Dat triggert me. We zullen die Amerikaan wel eens laten zien hoe het wél moet!

Alles is groter in Amerika. ‘Maar dit niet’ dacht ik terwijl ik het troosteloze bouwsel eens bekeek. Het was een soort van sporthal geweest, een vierkant hok met ramen aan één kant en op de gevel een gele lichtbak met in felrode letters: “GO-KART”. Op het veel te grote, donkere parkeerterrein stond hier en daar een pick-up truck en natuurlijk onze Chevy Van, waarin we bijna twee uur lang al bierdrinkend met onze nieuwe collega’s door de stad waren gereden. “We will show you guys a good time!” riepen ze steeds, waarop we maar weer lachten, proostten en een slok bier namen. We waren via de Interstate langs kale vlaktes met hier en daar wat fabrieken gekomen en stonden nu op een druilerige avond ergens in de middle of fuckin’ nowhere in Ohio om ons heen te kijken. We hadden het andere busje al een tijd niet meer gezien, maar dat was blijkbaar vooruit gereden, want één van de andere mannen kwam zwaaiend op ons afgelopen. “Youguys comin’? We’re all set! C’mon!” En hij leidde ons naar binnen, door een stinkende, haveloze ruimte met stalen lockers, waar hij een breed gebaar maakte: of we onze jassen wilden opbergen? We keken wat zuinig om ons heen en schudden dan met ons zessen als één man het Nederlandse hoofd: neu, doe maar niet.

Toen de volgende deur open ging kwam ons het geknetter van tweetaktmotoren tegemoet en plots stonden we in een verstikkende walm van uitlaatgassen. Het was inderdaad een soort van sporthalletje geweest, een meter of twaalf breed, twintig meter lang, met een ovaal baantje op de vloer waar acht karts hun rondjes draaiden. Er was blijkbaar geen afzuiging, in de hele hal hing een vette grijze mist waardoor je maar amper wat kon zien en ademhalen heel moeilijk ging. Onze Amerikaanse collega’s lachten breed: “Whaddayathink?” Ja, wat zeg je dan? Die mannen hadden dit speciaal voor ons georganiseerd, kijk ze eens apetrots zijn. Daar móet je wel aan meedoen, of je nou wilt of niet. Ach, even door de zure appel heen, dan maar wat minder diep ademhalen. Dus we lachten en wachtten braaf op onze beurt, kleedden ons netjes om in vettige overall en integraalhelm en stapten allemaal stoer in onze kart: Let the race begin! Maar na twaalf rondjes werd het me zwart voor de ogen wegens zuurstofgebrek en kon ik nog net naar het parkeerterrein strompelen om mijn hart en de filet mignon met steak fries er uit te kotsen. Toen ik weer wat bijgekomen was stak ik tegen beter weten toch maar een peuk op, maar dat bekwam me slecht en ik kokhalsde totdat er alleen maar gal uit kwam.

Nou weet ik toevallig dat er net een nieuwe indoorkartbaan geopend is in Nijverdal, een hele grote, met alles er op en er aan. Een prachtig parcours met twee overpasses en heel wat haarspeldbochten. Alles natuurlijk perfect geventileerd en geweldig georganiseerd, scoreborden overal waar iedereen zijn positie en tijd op kan zien, echt top of the bill. En een restaurantje er bij waar ze hamburgers en bier serveren. Daar gaan we met die kerel heen! Je hebt maar één kans om een eerste indruk te maken zeggen ze op het hoofdkantoor, en dit is hem! Die engineer gaat wat meemaken!

Het is zo’n typische Midwestamerikaan die we in de fabrieken hebben leren kennen. Hij komt op het vliegveld aan in zijn grijze productie-uniform, met op de ene borstzak het bedrijfslogo en op de andere zijn naam. Hij is veel te dik, heeft een vette voddige bos haar en een driedaagse baard. Zijn pafferige gezicht is grauw, gelig, als van een kettingroker. Als hij ons na wat wuiven en zwaaien ontdekt, loopt hij bruusk op ons af. “Howyadoin’. I’m Ernie.” Tijdens de rit van Amsterdam naar Coevorden is hij heel stil. Hij klaagt even over de smalle wegen in Nederland zoals alle Amerikanen doen, maar al vrij snel vallen zijn ogen dicht en slaapt hij met zijn hoofd achterover en zijn mond wijdopen. Dat is niet zo gek, hij is net door acht tijdzones gekomen. Maar als we bij het hotel aankomen is hij als bij toverslag weer wakker. Hij kijkt kalm om zich heen, trekt een pakje sigaretten uit zijn borstzak en steekt er een op voordat hij naar binnen gaat. “So this is Holland. OK, what are we doin’? Grab a bite to eat?” Ik vertel hem dat we wat leuks bedacht hebben. Of hij van go-karts houdt? “Sure. They got food?” “Burgers and beer. That OK?” zeg ik, en hij knikt. “Let me get checked in and I’m your guy!”

Zo raken we met acht man in een busje in een schoolreisjesfeer onderweg naar Nijverdal, er worden moppen verteld, er wordt veel gelachen. We zijn echt een avondje uit! Maar Ernie blijft rustig voor zich uit kijken, zegt alleen het hoognodige. Dat zal de jet lag wel zijn. En als we bij de kartbaan aankomen nemen we eerst nog even een peuk voordat we naar binnen gaan. Je kunt zo’n man ook niet alleen laten roken. Maar eenmaal binnen is hij wel aangenaam verrast. Het is ook een verdomd mooie baan met al die scherpe bochten. En fris, zoals het hoort, geen dikke uitlaatwalmen. Dit gaat wat worden, jongens! We hijsen ons in onze race-overall en helm en voordat ik in de kart stap geef ik Ernie een hi-five. “Go for it, man! Kick some ass!” Hij lacht. “Will do!” En we vertrekken met ronkende motoren, het hele lijf strak gespannen, volledig op competitie gericht. Ik ga winnen, zeker weten! Het eerste stuk is vechten op de vierkante centimeter, drie karts naast elkaar, elkaar niks toegeven, en dan op de eerste bocht aankomen en zo laat mogelijk remmen om je tegenstanders finaal weg te zetten.

Na de eerste ronde lig ik derde en dat vind ik al heel wat! Ik weet de andere mannen goed achter me te houden al komen ze wel heel dichtbij, maar ik blijf er voor en de adrenaline giert door mijn lichaam, lekker man! Ik stuur scherp in, drift een beetje door de bocht en ben helemaal klaar voor het tweede rondje, als er ineens voor mij met een rode vlag wordt gezwaaid. Ik stuur scherp naar links om de vlag te ontwijken en weet met gierende banden te stoppen, vlak voor een kart die aan de kant stilstaat. Er staan al vier man omheen die geïrriteerd opkijken als ik er aan kom. Dan pas zie ik dat ze bezig zijn met iemand die in de kart zit, met helm en al, maar doodstil. De man is helemaal slap als ze hem uit de kart sjouwen en hem op de baan leggen, waar ze zijn helm af doen en hem met twee man beginnen te reanimeren. Dan zie ik dat het onze Amerikaan is. Ik wil er al heen lopen, maar word door een van de mannen van de kartbaan resoluut tegengehouden. “Niemand mag in de buurt komen, meneer. Weg, alstublieft.” We gaan wat op een afstandje bij elkaar staan, weten niet wat we moeten. Verdomme, hij is hier nog geen drie uur! Hoe kan dat nou? En wat moeten we nou doen? Na een minuut of tien komen er ambulancebroeders binnen met een brancard en een defibrillator. Ze spreken kort met de mannen die aan het reanimeren waren en plakken dan electrodes op Ernie’s buik. Dan schermen de mensen van de kartbaan hem af, we zien een hele tijd niks, maar er is koortsachtige activiteit, dat merken we wél. Maar na een half uur is het over. Iemand van de kartbaan komt naar mij toe en vraagt: “Hoorde deze meneer bij uw gezelschap?” “Jazeker” zeg ik. “Het is een gast uit de Verenigde Staten.” “Dan heb ik slecht nieuws voor u” zegt hij. “Meneer is helaas overleden.”

Als ik de volgende ochtend na een slapeloze nacht weer op kantoor ben, gaat het alleen maar over Ernie. Er komen steeds collega’s binnen die via-via wat gehoord hebben en nu willen weten of het waar is. Is die Amerikaan echt dood? Ja, hij is echt dood. Hoe dan? Geen idee. Hij zat zomaar dood in zijn kart. Of hij al ziek was? Weten wij veel, we hebben de man maar even gezien. Hij zag er wel slecht uit, maar dat hebben we wel bij meer Amerikanen meegemaakt. En nu dan? Nou, hij moet terug, natuurlijk. Zal wel in de VS begraven moeten worden. We moeten zijn vrouw bellen om het slechte nieuws over te brengen , maar we hebben geen nummer van haar, dus we moeten wachten totdat de kantoren in Ohio open gaan , dan kunnen we daar vragen hoe en wat. En of hij wel een vrouw heeft, weten wij veel. Mijn baas vraagt of ik ondertussen wat wil doen, we hebben nog zes uur voor Amerika wakker wordt? Tuurlijk. Nou, of ik dan even kan kijken wat er nodig is om een lijk naar de VS te vervoeren. Moet er een speciale kist, wat voor papierwerk, moet er nog meer gebeuren? Zoek het alsjeblieft uit, we moeten wel haast maken. Die man moet terug en begraven en zoveel tijd hebben we daar niet voor. Dus ik stort me op het internet. Wat voor regels zijn er voor vervoer van een lijk per vliegtuig, moet er een speciale kist, dat zal wel, moet er papierwerk bij, zal ook wel. Uiteindelijk heb ik een lijstje klaar van wat er moet gebeuren en bij welke instantie, maar dan is de dag alweer bijna om en staat mijn manager in mijn kantoor. “Je gelooft het niet.” zegt hij. Wat niet? Nou, hij heeft net met de weduwe gebeld, het droeve nieuws overgebracht. Hij heeft haar oprecht gecondoleerd en haar verteld dat we druk bezig zijn om haar man naar de VS over te brengen, dat we haar op de hoogte zullen houden van wanneer hij aankomt, zodat zij de juiste voorbereidingen kan treffen voor de uitvaart. En weet je wat ze zei? “Nee” zeg ik. Die vrouw zal wel kapot zijn, van het ene moment op het andere is je man dood, ergens in een vreemd land. Wat zeg je dan? Nou? “Houd hem daar maar.”

“Hoezo?” zeg ik. “Moeten we zijn lijk hier houden? Maar dat kan toch niet? Hij moet toch terug?” “Ze vond dat wij de uitvaart maar moesten doen. Ik geloof dat ze ‘Burn the bastard’ zei” zegt Paul. “Ik denk dat we het crematorium maar moeten bellen.” En zo moet we een dure speciale kist voor luchttansport van een lijk afbestellen en zorgen dat er een crematie geboekt wordt, met een uitvaart, maar we hebben geen idee of hij religieus was of niet, dus ik stel voor om het maar neutraal te houden. We gaan wel een paar woorden zeggen, maar in drie uur leer je elkaar niet echt goed kennen, dus we maken er maar een verhaaltje van. We moeten er even doorheen. We doen in onze zondagse pakken ons uiterste best, maar het blijft een beetje gekunsteld gedoe. Na de uitvaartdienst wensen de mensen van het crematorium ons sterkte en wij hen ook en niemand weet eigenlijk wat we er mee aan moeten. Men verzekert ons dat de stoffelijke resten wel aan ons besteld zullen worden, zo snel mogelijk. En dat is dan dat, einde Ernie.

Maar dan staat er een urn op je bureau, met de resten van een wat vettige, voddige engineer en die moet je toch een plekje geven. Vooral omdat hij niet meteen weg is, het duurt nog wel een tijdje voordat hij terug kan vliegen naar de VS. We besluiten om de urn in een kast te zetten, dan staat hij niet steeds in het zicht maar kunnen we hem toch in de gaten houden. En zo ontstaat er een dagelijks ritueel dat ik iedere ochtend eerst de kast open doe, kijk of de urn er nog staat en “Good morning, Ernie” zeg. Als er mensen uit de fabriek in mijn kantoor moeten zijn, kijken ze vaak wat schichtig naar de urn in de kast, maar na verloop van tijd is het normaal geworden. Ik houd het ritueel wel in stand, geen idee waarom, maar soms doe je wel eens wat. Als hij na een dikke maand toch eindelijk naar de VS gestuurd wordt, mis ik hem toch wel een beetje.

Als ik een jaar later voor een conferentie bij onze Corporate University in Ohio moet zijn, komt mijn contactpersoon daar me blij vertellen dat hij me wat moet laten zien! Zo leuk! Wat dan? Nou, ik weet toch, dat ze op de University leslokalen hebben vernoemd naar de plaatsen waar de verschillende fabrieken staan? Zo is er een Lewisburg Room, een Henderson Room… “Maar geen Coevorden Room.” zeg ik droog, want daar hebben hij en ik wel vaker woorden over gehad. Hij lacht. Kom maar mee! En hij voert me door de gangen van de University, naar een héél klein kamertje met een bordje “Coevorden Room” op de deur. Binnen staan vier tafels met computers er op tegen de wanden, in het midden blijft nog net genoeg ruimte over dat er iemand kan staan. Wat was dit eerder dan? “You’ll never guess!” roept hij, en ik moet toegeven dat ik inderdaad geen flauw idee heb. Je kunt merken dat hij me dit al heel lang heeft willen vertellen en nu kan het dan eindelijk: “It was Ernie’s room!”

Sierk Meijer, november 2017.

Kekke.

kekke

It is hjir altyd wat stil. Njoggentjin hûzen oan de trochgeande wei en yn ‘e midden stiet syn kroech mei in bensinepomp der by, en dat hat in bêste slach west. Want foaral feekeapmannen meie wol graach ris oanstekke. Even tanke, gau in slokje, miskien in gehakbaltsje en wer fierder. Dat levert him dochs wol aardich oanrin op. Dat moat ek wol, want fan syn fêste klandyzje wurdt er net ryk. Der binne wat âlde mantsjes dy’t alle dagen komme, mar dy dogge samar in oere mei in slokje. Hjoed sitte der fjouwer fan dy âlde striders oan de stamtafel te klaverjen. Op ‘e tafel jonge jenever en jiskebakken mei ôfkôge sigarepeuken. Smoke mei dan wol net mear, mar hjir komt dochs gjin ynspeksje. Fierder sit der oan de bar noch in mantsje, wat in alternativeling, wat foddich hier, skurf burdsje en in spikerpak, wat mismoedich efter syn spantsje fan in jonkje en in glês bier. Hy hat yn de gemeenterie sitten, mar dat betarre ferkeard, dat no sit er hjir faaks wat, dan ha jo der ek gjin lêst fan.

Dan stoppet der in auto, in Mercedes mei in feekarre. De bestjoerder tanket en giet yn ien streek troch nei binnen. It is in grutte, rûge keardel mei wyld hier, skipperstrui, stúsjekoarn en learkeklompen. Hy ploft op in kruk en seit: “Hast in jonkje foar my? Set der oars ek mar in pilske by.” Hy draait him fuort om en sjocht de hiele kroech oer, leget syn glês. “Sa, krekt wat.” “Drok, hjoed?” “Man, brek my de bek net iepen. Ik moat nei Grins. En dêr ha’k al sa’n pesthekel oan.” Hy pakt syn lege glês op. “Doch my noch mar ien. Ik moat nei in moslim ta, in slachter. Ik ha it adres hjir wol op in bledsje.” Hy siket syn bûsen wat troch en komt dan mei in doaske bokjes foar it ljocht. “Dat kin wol even, net?” Hy knikt en bromt mar wat. Kin er altyd sizze dat er gjin ja sein hat. “Nei in moslimslachter? Wat dêr?” “No, it giet om ús mem har geet.” Dat begrypt er even net. “Geet?” “Ja, man. Kekke. Fret gers, skyt dropkes. Sa’n ding. In geet.”

Hy set in jiskebak op de bar en freget: “Wat is der dan mei dy geit?” It is mûskestil, der falle sels gjin kaarten op tafel. De oandacht is hielendal op Kekke. “Sjoch, ús mem hat altyd bisten hân. Wy hienen in ko, wat piken, wat hea en in bult stront. Dat guod. Fûn se altyd hartstikke moai. Mar sy wurdt âlder en dan kin dat net mear dat dat spul is fuort en doe ha wy har in geet kocht. Mar dat kin se ek net mear. De geet moat fuort en net in hasses wol him ha. Dat dan mar nei de slachter.” Mar dat moat se net heal witte. Sy is der sa mâl mei, sjoch.” Dan oppenearret it mantsje oan de bar him. “Wat kinne jo mei sa’n geit?” “No, it skeelt in bult meanen. En molke, fansels. It is de earmeljusko, op de heide hie elts in geet!” It bliuwt in skoftsje stil. Mar dan komt it mantsje wer: “Net mear meane?” “Nee, man! Se rêde mei alle gers. Noch noait sa’n moaie greid sjoen! En stevich, dy poatjes wadzje alles oan. Minne grûn? Dan moast in geet ha!” It mantsje leget beide glêzen, knikt foar mear. “Wat kostet sa’n bist?” “Us mem hat der altyd goed op past. Meist him wol sjen, mar it is in bêsten. Miskien sit der ek noch wol jong yn, echt in moaien. Soks fynst net gau. Hûndertfyftich.” Dêr skrikt de man wat fan. “Mar de slachter jout der minder foar. Foar hûndert meist him ha.” De man sjocht wat muoilik, slokt in kear. “Santich!” Hy is lang stil. “It is mem har geet, dy moat in goed plakje ha.” Ien kear fiifentachtich, wat seist?” “Ferkocht!” ropt it mantsje.

De geit wurdt seremonieel út de feekarre tilt en oerhannige, de man set der grutsk mei ôf. Dan ploft de keapman wer op de kruk. “Jou my noch mar in span.” It bliuwt in skoft stil, mar dan moat de barman it dochs kwyt. “Dy geit, hin? Dêr sit gjin jong yn.” It bliuwt stil. Mar hy set troch. “Der siet ek gjin jaar oan.” De keapman glimket even. “Net fierder fertelle. It wie de stjonkbok fan de buorman. Dy hat my jild jûn om it kring fuort te bringen.”

Sierk Meijer
27 april 2018.

Songs from the wood.

wood

Zoals iedere zichzelf respecterende langharige tiener in de jaren 70 was ik natuurlijk bezeten van rock. Deep Purple, Uriah Heep, Black Sabbath, noem het en ik had het. Wel allemaal bij elkaar gesprokkeld via ruilen en opnemen van de radio. Youtube bestond nog niet en zelfs van Napster had nog nooit iemand gehoord (wat? napster? eh, soort van torrentsite voor muziek. Wat? Torrent? Oei. Streaming, maar dan wat langzamer, zoiets?) In ieder geval bestond dat niet. Wij moesten het doen met de radio. Of platen bestellen van een advertentie in de TV-gids, die snel opnemen en weer terugsturen. Maar dat werkte ook niet echt. Vooral radio, dus, en dan zorgen dat er vooral géén stukje van de diskjockey op kwam.

Mijn buurjongen en ik waren allebei even bezeten, maar gaandeweg begonnen we te ontdekken dat er veel meer was dan alleen maar rock. Je had Blues, waar heel veel rockers naar geluisterd hadden, je had natuurlijk ballads, je had luisterliedjes, je had zelfs ontzettend mooi klassiek werk en folk. Beleef een keer een dronken avond in een pub met de Dubliners en je bent verkocht.

Eén band die mij opviel, was Jethro Tull, vanwege het aparte geluid en de compleet gestoorde zanger. Hij speelde dwarsfluit, maar niet echt zoals het hoort. Hij kreunde en brulde er in terwijl hij op één been stond. De eerste muziek die ik van hen hoorde was vooral erg bluesy met wat rock er in en dat ging er in als pepermunt in een ouderling, dus ik wilde meer. Maar Tull deed rare dingen (zoals je kon verwachten natuurlijk), ze maakten een conceptalbum, wat eigenlijk gewoon één nummer was van drie kwartier. Het zat in een hoes die er uit zag als een krant en niets van het gehele nummer sloeg ergens op. Maar ik vond het prachtig.

Een van de mooiste albums ooit was Aqualung, vond ik. Een mengsel van keihard rock, blues en luisterliedjes. Dus toen we hoorden dat er een nieuw Tull-album uit zou komen, waren mijn buurjongen en ik in blijde verwachting van wat er nu weer zou komen.

Er was toen op Hilversum 3 op donderdagavond een programma waar je zomaar nieuwe, vreemde muziek kon horen. Het werd gepresenteerd door Ad Visser, die een fout popprogramma op TV had, en het bestond vooral uit symfo-rock, waar ik óók dol op was. We hoorden dat hij het nieuwe album van Tull zou behandelen, dus we lagen precies op tijd vlak voor de radio in onze woonkamer. Hoe zou het komen?

Hij draaide het gehele album. Alles. Zonder kletsen tussendoor, gewoon de hele elpee. En ik met mijn bandrecordertje er bij om maar geen noot te missen. En het was wéér heel anders dan we dachten. Dit album was folk met hier en daar wat rocks er in, maar met een hele batterij ontzettend mooie instrumenten. Klanken die je normaal alleen in klassieke muziek hoorde, kwamen hier voorbij. En zéér precies. Iedere toon, iedere noot, ieder pingeltje, was op de tiende van de seconde gepland en uitgevoerd. We vielen bijna in katzwijm bij die radio, zo ongelooflijk mooi…

Deze opname laat schitterend zien hoe precies alles in elkaar zat. En er is een hoofdrol voor Barrie Barlow, de drummer. Dat mag ook wel eens.

Sierk Meijer, december 2015.

Play for me.

seasick

Ik had nooit een instrument leren spelen en dat vond ik wel jammer. Ik kwam veel bij mensen over de vloer die dat wél konden en ik zou toch zó graag wat in muziek willen doen. Maar als ik zing in bad moet ik zelf al oordopjes in vanwege geen toon kunnen houden en ook vreselijk vals en zo, dus dat viel al af en als ik wél iets in een band zou willen doen, dan moest ik toch maar iets leren spelen. Mijn vader speelde best goed accordeon, maar dat werd nooit zo heel veel gevraagd in rockbands, dus daar begon ik ook maar niet aan. Verder speelde de buurman al drums, dus dat viel ook al af, als wij samen een band zouden willen beginnen, dan zou het eigenlijk meer moeten zijn dan een zootje drummers.

De vriend van een klasgenoot van me in Leeuwarden speelde wél gitaar én die had er nog eentje over én die wilde me wel les geven! Hoeveel geluk kun je tegelijk hebben! Dus ik kocht die gitaar van hem voor een paar tientjes en begon verwoed te oefenen. Hij had me een stukje meegegeven van Fleetwood Mac. Het duurde nog geen halve minuut, maar er zaten wat grepen in en een slide van laag naar hoog. Dat zou ik maar wat graag kunnen!

Het was een grote, bruine akoestische EKO gitaar met metalen snaren en dat vond ik ook wel gaaf, want metaal klonk wat harder dan nylon en nylon was toch wat — nou ja, ‘spaanse gitaar’, niet cool eigenlijk, maar staal, jazeker! Na de eerste avond oefenen lukte er nog niet veel en had ik diepe groeven in mijn vingertoppen staan. Na nog een paar avonden gingen ze wat lekken en moesten er toch maar pleisters om. Toen werd het wel erg pijnlijk, dus deed ik een dagofwat niks. Ondertussen had de buurman dat ding eens bekeken. Kromme hals, zei die. Maar dat was kinnesinne natuurlijk, want hij had alleen maar een drumstel!

Ik bleef nog wel een tijd stug dooroefenen, maar het schoot niet echt op. Dat kleine stukje Fleetwood Mac kon ik na een tijdje spelen, maar andere grepen en andere muziek, dat was verrekt lastig. En die stalen snaren deden steeds meer pijn aan mijn vingertoppen. Goed, kunst is afzien natuurlijk, maar je kunt het ook overdrijven.

Na een tijdje begon ik veel belangrijker dingen te zien dan gitaarspelen, al was het maar wat liggen mijmeren of zo. Die gitaar raakte ik dan ook maar niet meer aan. Ik bedacht nog wel redenen waarom het niet ging. Misschien had ik toch met nylon moeten beginnen. Die stalen snaren waren wel erg scherp. Dat is dom, natuurlijk, om daar meteen maar mee te beginnen. En door kennissen liet ik me vertellen dat EKO wel een slecht merk was, en natuurlijk was die hals krom. Dat gaat toch niemand lukken om daar op te spelen!

Maar een paar jaar geleden zag ik Seasick Steve optreden bij Jools Holland. Hij speelde op een oud barrel van een gitaar, hier en daar een stukje er uit en maar drie snaren meer over, maar een geluid, man, onvoorstelbaar! Weer later zag ik hem optreden met een gitaar gemaakt van een sigarenkistje en een stok. vier snaren er op, en spelen maar. En snel, en virtuoos, en vette blues! En dan kon ik met een hele EKO met zes snaren dus alleen maar een heel klein stukje van Fleetwood Mac spelen! Weer later zag ik hem spelen op een stuk staaldraad dat over een balk gespannen was.

Daar word je niet vrolijk van. Maar hoe meer ik over Seasick Steve las, hoe meer ik het begreep. De man heeft wel een stuk of tien levens meegemaakt. Hij is 74, heeft door heel Amerika gezworven, heeft overal gespeeld, heeft de blues helemaal geleefd! Die man heeft echt alle tijd gehad om te oefenen, dat ik daar niet tegenop kan, da’s wel logisch natuurlijk. Dus kon ik gewoon genieten van Steve’s muziek….

Pasgeleden ontdekte ik Samantha Fish. Ze is geboren in 1989 en speelt de vetste bluesrock die je je maar voor kunt stellen. En ze heeft een heel scala aan gitaren, waaronder eentje gemaakt van een olieblik, en deze dus, gemaakt van een sigarenkistje. Met vier snaren. Nou ja, soms moet je gewoon toegeven dat je iets niet kunt.

(Maar wel genieten!)
Sierk Meijer, december 2015.

By the dashboard light.

dashboard

Onze toekomst zag er niet al te best uit. Mensen die het konden weten zeiden dat de Bom zou vallen en we hadden net een kabinet dat vond dat alles te veel kostte en maar aan alle kanten minder moest en daarom werd iedereen maar werkloos en waarom zou je eigenlijk nog een vak leren want je kreeg toch geen werk.

Dat was ongeveer onze wereld aan het eind van de jaren ’70 en daarom was ik in het laatste jaar maar van de Laboratoriumschool gegaan en had me gemeld bij mijn oom, die koppelbaas was en waar je grof geld kon verdienen. Ik was 19 en ik vond dat ik wel wat geld kon gebruiken dus ik wilde wel aanpakken, dacht ik. Ik moest met een groepje mannen midden in de nacht naar een kippenhok in Boerenkoolstronkeradeel en daar de hele nacht heen en weer sjouwen met handen vol zware mestkippen in een hok waar het veel te heet was en ongelooflijk stonk en we door de stront moesten lopen en ik wel tien keer doodging en toen kreeg ik zeventig gulden.

Dat was niet best voor een HBO-ertje dat niks gewend is, maar ik vond dat ik niet moest opgeven en ging ‘s avonds braaf weer naar die oom om te vragen of ik de volgende nacht weer mee kon. Zo wende ik er wel aan en na verloop van tijd was ik opgeklommen in de hierachie van de kippenvangers en was ik niet langer een Sjouwer maar een Vanger en nog een hele goeie ook, en kon ik zelfs op links én op rechts vangen, wat maar weinig mensen konden en kon ik me meten met de snelste vangers ooit. Ik kreeg zelfs ooit een keer een hok toegewezen waar ik als enige vanger van onze ploeg heen moest, want die boer werkte met een levende legende, een man die alleen lag te vangen en daarmee vijf sjouwers aan het werk kon houden. Wij hadden op zes sjouwers twee vangers die op hun knieën naast elkaar in de stront lagen en ieder vijf kippen pakten die dan steeds door een sjouwer werden aangepakt en weggebracht, maar deze boer wilde dat niet, die had die legendarische vanger die het allemaal alleen deed. En dan moest er nog een ploegje bij, en dat moest ik doen, maar dan wel alleen natuurlijk.En ik bleek sneller te zijn dan hem. Zomaar. We kwamen op een bepaald moment naast elkaar uit en toen moest een sjouwer even op hem wachten, dus ik bood die man maar een handjevol van mij aan. De levende legende heeft geen woord tegen me gezegd, maar als blikken konden doden was ik ter plekke begraven geworden.

Al vrij gauw hadden we een vaste ploeg waar we iedere nacht mee op pad gingen naar de zoveelste kippenboerderij in een afgelegen gehucht in Noord-Nederland om ergens tussen de tien en de vijftien uren met kippen te slepen. We gingen over het algemeen rond middernacht op pad met zes stevige kerels in één Mercedes 190D. Drie man opgefrommeld op de achterbank en drie voorin, waarvan er één stuurde, eentje tegen de deur aan hing en eentje die tussen de twee voorstoelen in en om de versnellingspook heen gedrapeerd was en omdat die een kloteplek had, mocht hij de radio bedienen. En die was dol op Meat Loaf, dus we draaiden iedere nacht Paradise By The Dashboard Light.

Terwijl we dan urenlang door diepe nacht, regen, mist en soms sneeuw en ijzel naar een boer in Meppum, Rotkopperveen of Derdehazelippermond reden, zette hij wéér het intro in, draaide het volume zo ver mogelijk open, en dan gingen we: “Well, I remember every little thing as if it happened only yesterday…” En dat gilden we dan in zijn geheel mee, behalve de stukjes die wat te moeilijk waren, maar daar maakten we dan wel iets met vieze woorden van. En als we na het werk, moe, bezweet, slaperig en stinkend terugreden, dan zetten we dat nummer maar weer op en brulden net zo hard mee. En op vrijdag, zaterdag en zondag, als we naar de kroeg gingen, dan vroeg je bij de diskjockey naar Meat Loaf, natuurlijk, kon je lekker meebrullen.

It was long ago and it was far away…

Sierk Meijer, oktober 2017.

Haantjes.

haantje

Als Fries in Drenthe, of erger nog: als Harekiet in Drenthe, was ik toch een beetje verweesd. We waren er vol goede moed heen getogen want per slot van rekening was het daar ook veengebied geweest en hadden ze er zelfs een museum voor met dezelfde soort spitketen die we in Harkema ook hadden, en we zijn toch allemaal gewone mensen met elkaar dus wat kan er nou anders zijn?

Best veel. Om te beginnen praatte iedereen anders, wat ook wel logisch was natuurlijk want Drents is geen Fries, dat snapt een kind, maar het klonk echt wel heel anders en hoewel ik het wel verstond, was het toch net niet je-ne-sais-quoi. En de hele wereld zat daar wat anders in elkaar. We zaten in het bos, daar heb je daar nog meer van dan van hunebedden, en wij roepen in de Friese wouden dan wel dat we boompjes om ons heen moeten hebben, maar je kunt het ook overdrijven, en vooral met wat druilerig weer is de lol er gauw af.

Maar het was verder wel een mooie wereld en we hadden een prachtige tuin dus daar zou je best wat mee kunnen doen, kippen bijvoorbeeld. Ja, kippen! Ik heb daar wel wat mee en dat is best raar, want als je een paar miljoen mestkippen hebt moeten vangen zou je denken dat je geen kip meer kunt zien, maar ik vind ze altijd toch wel wat hebben. Kippen hebben iets, dat gehak in de grond naar wurmpjes, dat eigenwijze loopje, schitterend! En ze kunnen vaak wat onverwacht uit de hoek komen. Zo heb je in kippemesterijen vaak een soort van underdogs, kuikens die door de rest steeds weggejaagd worden en als na zes weken de volgevreten mestkippen van anderhalve kilo weggevoerd worden, dan zie je altijd nog wat kleintjes in de hoekjes tondscharrelen die nooit mee mochten eten.

Daar had ik ooit een handjevol van meegenomen met een zakje voer en ik had ze achterop de tuin in een schuurtje gezet omdat ik het gewoon zielig vond. Ze groeiden als de spreekwoordelijke kool toen ze niet meer gepest werden en zo hadden we binnen een paar maanden zes reusachtige kippen en twee gigantische macho-hanen, beide pakhembeet 70 centimeter hoog, zes kilo zwaar en zéér assertief. Op een bepaald moment konden we niet meer in dat schuurtje komen omdat we dan meteen werden aangevallen en dan moet je drastische maatregelen nemen. Dus werd er een zware koekepan bij de deur gezet en moesten we iedere keer dat we gingen voederen eerst twee hanen frontaal voor hun harsens meppen, anders kwamen we er gewoon niet in en je kunt die arme lieverds geen honger laten lijden, toch?

Kort en goed: ik wilde graag kippen. Dat was niet zo moeilijk, viavia kon ik wat Barnevelders kopen die uit een legbatterij kwamen, met van die lelijke afgebrande snavels en voddige veren, en die liet ik los in de achtertuin. Dat vonden ze geweldig! Ze zochten de hele dag naar wurmpjes en mopperden er wat bij, het werd er wel gezellig van. ‘s Nachts zaten ze wat te suffen onder een struik en dat vonden we wel best.

Maar dat ging niet goed. Er lag er zomaar eentje met de pootjes omhoog op de tegels, en dat hoort niet. En even later lag er nog eentje en dan nog eentje, en toen raakten de Barnevelders al vrij snel op. Jammer. Maar van een enkele tegenslag heb je nog geen crisis, dus niet getreurd, denken in oplossingen. Ik had een plekje gevonden waar je echte Friese Hoenders kon kopen, kleine, ranke kippen met een prachtig verenkleed en een fiere houding (hoe kan het ook anders!) en die wilde ik wel, dus hadden we al vrij snel een mooi stel trotse geelwitte dames in onze achtertuin lopen. Die waren wel wat driester dan de oude Barnevelders: ze kwamen overal, zelfs in de keuken als ze dachten dat daar wat te halen viel, en s avonds nestelden ze zich op een hoge tak in een boom, want dat hoort zo als je een echte kip bent.

Daar kwam nog wat bij: we raakten zo nu en dan een kippenmevrouw kwijt, het werd al maar stiller in de tuin en van gescharrel was al helemaal geen sprake meer! Na diepgaand onderzoek vonden we ze verstopt onder wat struiken, ieder op haar eigen nest met eieren, waar ze met een serieus gezicht op zaten te broeden. Maar verder gebeurde er niks, want er was geen haan en dat is dan toch wel een dingetje als je met kinderwens zit als kippendame zijnde. Maar als er voortplantingsdrift in het spel is moet er iets gebeuren, dus moest er een list bedacht worden. Je kunt ze per slot van rekening niet tot in lengte van dagen laten zitten op van die onvruchtbare dingen. Dus ik struinde Markplaats af naar bevruchte eieren van Friese kippen, want als ze daar nou eens op konden gaan zitten en er kwam wat uit, wie weet? Doe eens gek?

Ik kwam uit bij een mevrouw in het uiterste hoekje van Oost-Groningen die Friese hoentjes te koop aanbood, maar dan als ei. Ze zouden heel mooi geel-wit worden als ze groot waren want dat waren de ouders ook, allemaal heel raszuiver en authentiek. En ik liet me maar wat graag overtuigen, dus ik kocht de eieren en bedacht een snood plan om de blijde verwachtingen ook echt waar te maken. We moesten daarvoor de eieren uit de nesten roven en die vervangen door de pasgekochte en wel bevruchte eieren en dat dan zonder dat de dames er achter konden komen. Moeilijk, maar wel te doen! Dus we verzonnen een wild plan waarbij mijn vrouw de hele tuin in rep en roer bracht en de dames in paniek van hun nesten zouden komen zodat ik de met pijn en moeite gelegde eieren zou kunnen vervangen door wat hopelijk kippenkindjes zou kunnen worden. Dat was een spektakel waar de dames nog lang nachtmerries van hadden, maar uiteindelijk zaten er in alle nesten bevruchte eieren.

En na uitgebreid en toegewijd broeden hadden we drie kersverse kippengezinnen met trotse moederhennetjes en over hun eigen pootjes struikelende donsbolletjes die met verwonderde oogjes op expeditie gingen door de wonderlijke nieuwe wereld van struikjes en viooltjes. De eerste kipjes uit eigen tuin! Trots dat we waren! En het werd alleen maar mooier, want toen de watjes wat groter werden en veer begonnen te schieten, bleek dat we exact goed gemikt hadden. De kinderen hadden dezelfde kleur als hun mama’s hoewel ze in de verste verte niks met elkaar te maken hadden, maar de kersverse moeders waren zielsgelukkig en de kindjes wisten niet beter, het was de perfecte zwendel geweest.

Zo kregen we een ideale kippengemeenschap in onze achtertuin, en we leefden met ons allen nog lang en gelukkig, al lag er soms wel een van de oudere dames op onverklaarbare wijze met de pootjes omhoog op de tegels, maar dat gebeurde maar heel af en toe, dus dat viel mee. We vroegen ons dan wel af wat er gebeurd kon zijn, een gemene moordlustige plant of zo? Maar we vonden nooit een antwoord en iedere dag scharrelden de dartele kipjes door ons Drentse tuinlandschap, dus zo erg was het nou ook weer niet. Wel was er iets in de samenleving veranderd, want we zagen dat er twee kindjes wat ánders waren. Deze groeiden net wat harder, waren net wat driester en kregen langzaam maar zeker een mooie rooie kam op de kop. Twee ferme jongens, stoere knapen! En op een goeie dag ging een van de jongens in een boom zitten, richtte de snavel hemelwaarts en stootte een schor en beetje knullig kukeleku uit om daarna triomfantelijk om zich heen te kijken. En toen kon die andere niet achterblijven, natuurlijk.

Vanaf dat moment werden we iedere ochtend wakker door het enthousiaste maar nog steeds wat rommelige gekraai van beide haantjes vanuit de hoogste boom in onze tuin. Dat we daar op dat moment nog lang geen behoefte aan hadden was bijzaak. Meestal keken we alleen even op en draaiden ons dan weer om. Het gaf er in ieder geval wel een mooi landelijk gevoel aan. Het wende ook al heel snel, op een bepaald moment hoort het er gewoon bij en toen glimlachten we alleen even in onze slaap als de heren in de boom stonden te schreeuwen bij het krieken der dag.

Maar dat was natuurlijk te mooi om lang te duren. En op een zaterdag vonden we een van de jongens in een rare houding op de tegels liggen. Zonde, zo jong nog, dachten we, en ik was al aan het bedenken waar we hem het beste konden begraven, toen onze voordeurbel ging. Daar stond een duidelijk zwangere en flink opgefokte buurvrouw, die ons graag wat wilde zeggen en daar zo te zien ook al behoorlijk op geoefend had. Of we wat aan die kippen wilden doen! Huh? Ja natuurlijk wel, maar wat bedoelde ze dan? Ja, nou, ze waren hier een paar maanden geleden komen wonen en toen hadden ze al wat last van die kippen van ons maar het was alleen maar erger geworden en nou was ze in verwachting en kon ze al niet zo goed slapen en iedere nacht dat gekraai en dan sliep ze helemaal niet meer en of dat eens kon ophouden, ja!

Wat moet je daar op zeggen? Ik zei maar dat we ons best zouden doen en onze oprechte excuses, we wisten het niet, sorry en ik bedacht nog steeds waar ik dat haantje moest begraven. Maar de buurvrouw had blijkbaar genoeg gehoord, want ze beende al kordaat, met hoofd omhoog en buik vooruit, weg zonder ons nog een blik te gunnen. Dus ik ging me toch maar eens aan de uitvaart van het haantje wijden en ik was net in een afgelegen hoekje van de tuin aan het graven toen mijn vrouw me riep. Ze wees naar een plekje tussen de struiken en daar was een geel-wit kipje te ontwaren, de rooie kam verlept op de kop, de pootjes stram en verder zeer dood. Verdikke, twee dode haantjes op een dag en we hadden nog steeds geen flauw idee waarom. De buurvrouw had er geen last meer van. Dat was dan weer een geluk bij een ongeluk. Maar wel balen, waren we zomaar twee haantjes kwijt. Er liepen nog wel wat kipjes door de tuin, scharrelend en wurmpjevangend en al, maar het was toch niet hetzelfde. Nou ja, geen ruzie met de buren is ook wel wat waard, dus we hadden er wel vrede mee maar eigenlijk toch niet helemaal.

Maar een paar dagen later hoorden we toch weer gekraai uit de achtertuin, zij het zeer klungelig en ongeoefend en niet echt sterk maar wél enthousiast en we vroegen ons af hoe dat nou weer kon. En daar, boven in de boom, zat een van de dames, met haar snaveltje omhoog en zo trots als maar kan: “U-eh-uu-huu!”

Sierk Meijer, 30 oktober 2017.

Boeddha.

Hongkongmarket

Time fries, vijf jaar geleden alweer. Wel een bijzondere ervaring: na een weekje werken in Zhuhai nog even snel in Hongkong kijken, kon nog mooi even. Was er nog nooit geweest, zo vanuit de airconditioned terminal in een taxi gestapt en in mijn beste Chinglish met hulp van handen, voeten en rare gezichtsuitdrukkingen aan de taxichauffeur uitgelegd dat we naar de Ladies Market wilden en uiteindelijk na een moordende rit hier wat onvast op de benen uitgestapt. Het was dik boven de dertig graden en op de trottoirs holden mensen door elkaar alsof die warmte niet voor hen gold.

Aan de overkant zagen we kraampjes dus dat zou de markt wel wezen en na wat heldhaftige pogingen kwamen we de straat over en stortten we ons in het handelsgewoel. Het bleek een hele straat aan weerskanten vol met kraampjes die zo dicht tegen elkaar stonden dat je niet zag wat er bij welke verkoper hoorde en tussen beide zijden ongeveer een meter ruimte waar duizenden mensen zich doorheen wurmden. Dus wij slenterden zo nonchalant mogelijk tussen de negotie door en deden net of we helemaal geen oude, blanke overduidelijke toeristen waren die van een kilometer afstand al opvielen. Overal stonden bakken met neprolexen en hingen T-shirts met de meest wonderlijke teksten en daar tussen lag heel veel plastic zooi, totdat…

Wat een mooi boeddhabeeld, dacht ik, en pakte het op. Dertig centimeter hoog, van massief koper zo te zien en te voelen, best mooi. You buy? gilde de verkoopster me toe. How much? zei ik, wel wetend dat ik dat niet moest doen want veel te zwaar en krijg ik nooit mee in het vliegtuig en wat moet ik er mee? Five hundred! riep de verkoopster. No, antwoordde ik ferm en zette de boeddha neer. Maar dat ging zo niet. Ik moest afdingen, want dat doen ze daar, wist ik. How much you wanna pay? riep de dame, licht geïrriteerd want ik had al lang een tegenbod moeten doen. No, zei ik daarom maar weer. Maar zo gemakkelijk kom je als overduidelijke westerse toerist niet weg. “Four hundred!” No, zei ik nog maar eens. “You look, you wanna buy! Three fifty!” En ze kwam nu wel heel dicht bij me staan, dus ik deed maar een stapje achteruit: No, no, really!” Terwijl mijn maat me meesleepte riep ze me nog na:” Three hundred! You buy!”, maar we waren al opgeslokt door de menigte. Best wel knap van mezelf, vond ik.

Sierk Meijer, 19 oktober 2017.

Security.

Security

Zo’n eerste werkdag is altijd spannend, denk ik terwijl ik naar de portiersloge loop. De Portier Van Dienst is een grote, brede man in een streng zwart uniform met bijbehorende politiepet, die me op barse toon toespreekt. Eerst dien ik een set Persoonlijke BeschermingsMiddelen te ontvangen, zoals daar zijn: oordopjes, veiligheidsschoenen, een uniform in blauwgrijs, een haarnetje en een helm. Dit alles dient aangetrokken te worden in een kleedkamer die zich achter de portiersloge bevindt, en daar moet ik ook mijn eigen spullen in een kluisje achterlaten. Dan krijg ik een pasje uitgereikt en een Handboek dat ik nauwgezet door dien te lezen.

Na enig rondlopen vind ik het gebouw waar ik moet zijn, en daar tref ik een ietwat sombere man in een zelfde outfit als de mijne, die zich voorstelt als Vanderveen en mij mijn bureau wijst met een stapel papieren die ingetikt moeten worden en daarna wegsjokt. Terwijl ik het bovenste papier pak, verschijnt plots de strengzwarte Portier weer, die me een brief overhandigt. Er staat op dat ik terstond updates moet ophalen. Ook staat er een adres bij, wat ergens in de stad is. Dus verontschuldig ik me bij Vanderveen en wandel langs de portierloge naar buiten. Vlak buiten de poort staat er een man windjacks van Albert Heijn uit te delen, en omdat mijn uniform nogal koud is, neem ik er dankbaar een van hem aan.

Na een tijdje kom ik bij het opgegeven adres, waar ik in een rij moet staan en uiteindelijk een nieuw Handboek krijg uitgereikt. Terwijl ik in de rij sta, komt er een groep blij zingende Hare Krishna’s langs en van een van hen krijg ik een een oranje jurk toegestopt, met de woorden: “doe maar aan, lekker warm!” En omdat ik niet weet wat ik er anders mee moet, trek ik ook die maar aan.

Op de terugweg, vlak voor de poort, staat nog een man oranje ijsmutsen van Unox uit te delen. Hoewel ik niet weet wat ik er mee zou moeten, neem ik ook die maar aan. Dan loop ik weer naar mijn bureau, waar ik het nieuwe handboek doorworstel. Het staat gelukkig vol met plaatjes, dus dat gaat vrij vlot, maar op de laatste bladzijde staat vetgedrukt: “Start Nu Opnieuw Op.”

Dus loop ik maar weer langs de Portier naar buiten, ga naar huis, kleed me uit, ga naar bed, sta weer op, poets mijn tanden en stap onder de douche, waarna ik alles weer aantrek. Dat duurt wel wat langer dan vanochtend, vooral vanwege het windjack, de jurk, het haarnetje, de helm en de Unoxmuts, maar dan ga ik toch maar weer die kant op. Onderweg kom ik Jan de Roos tegen, met roze microfoon en al, die me vertelt dat hij met me mee wil. Ik zeg er maar niet al te veel van, maar als ik bij de portier kom, wijst die me streng op een controlepoortje waar ik doorheen moet. Dat gaat natuurlijk piepen, zodat de Portier me geheel moet fouilleren. Hij vindt niks en laat me brommend en hoofdschuddend door.

Maar als ik bij mijn bureau aanbeland ben, staat hij alweer achter me. Hij is niet tevreden, dat merk ik aan alles. “Spywarecontrole” zegt hij met zware stem, en hij haalt een grote handscanner te voorschijn. Jan de Roos wordt het eerst ontdekt, en die wordt dan ook luid scheldend afgevoerd, maar er blijkt nog meer aan de hand! Uit zowel het windjack als de Unoxmuts en de Hare Krishnajurk komen verborgen microfoons en zelfs een paar camera’s te voorschijn. Alles wordt in beslag genomen. Dan heeft hij nog een verrassing: hij haalt een grote glazen injectiespuit te voorschijn: “tegen virussen”. Ik moet de mouw van mijn uniform oprollen en de spuit wordt in mijn arm geplant.

Dan verdwijnt hij gelukkig weer, maar niet voor lang. Als ik wil gaan tikken, staat hij er al weer! Weer met een brief: “haal nu Werkschoenen 2.0 op” met een adres er bij. Dus ik ga maar weer, deze keer naar een kamer op het terrein. Ik moet daar mijn vanochtend ontvangen schoenen inleveren en krijg een nieuwe versie uitgereikt. De man achter de balie is heel aardig. Hij doet er ook een boekje van Scientology bij en wat foldertjes van Schoenenreus en Mediamarkt, en als toegift krijg ik een nieuw windjack van Albert Heijn. Daar ben ik blij mee, want ik miste het na die inbeslagname toch wel.

Als laatste krijg ik een briefje: “Start Nu Opnieuw Op.” Dus ik loop maar weer richting portiersloge. De Portier knikt me minzaam toe; hij kent me ondertussen. Op weg naar huis zie ik een cameraploeg van RTL staan die leuke tasjes uitdeelt, en Jan de Roos loopt er ook nog steeds. Thuisgekomen kleed ik me uit en ga ik naar bed. Plots word ik door elkaar geschud. Verschrikt kijk ik om me heen en zie mijn vrouw bezorgd kijkend naast mij liggen. “Had je een nachtmerrie?” zegt ze: “je deed zo raar…”

Sierk Meijer, 30 januari 2016.

España.

Esoana

Ik was er nog nooit geweest. Nee, eerlijk. Hong Kong, China, Israel, Eindhoven, Noordoostpolder, ik kwam overal. In Amerika spraken ze me al bij naam aan, zo vaak was ik daar, maar Spanje, nooit. Zelfs niet aan de Costa del Sol!

Dus hadden we bedacht omdat toch maar eens te doen, maar dan niet in het hoogseizoen vanwege veel te heet en te druk en niet naar Torremolinos want daar hoor je ook geen goed woord over. Oktober, twintig graden en iedereen naar school! Krek wat!

Zo belandden we in een B&B in Fueringola, iets ten zuiden van Malaga, vlak bij het schilderachtige bergdorpje Mijas. En natuurlijk moesten we daar naar toe, dus we liepen stoer die kant op. Maar de berg was hoog en het dorpje ver en een taxi goedkoop, dus in no time stonden wij in Mijas. Kom maar op met die authentieke spaanse cultuur!

Het is inderdaad een schitterend mooi dorpje. Helemaal in het wit, tegen een steile bergwand gebouwd en met nauwe straatjes die krioelden van gerimpelde en bewandelstokte toeristen. Ja wat wil je, iedereen is naar school!

Maar het lukte ons toch om wat bezienswaardigheden te spotten tussen de souvenirwinkels en rond siestatijd, toen het tegen de dertig graden liep, besloten we maar ergens neer te strijken.

Het was een heel nauw, rustig straatje onder een hoek van bijna vijfenveertig graden bergop, met halverwege een terrasje waar niemand zat. When in Spain, have a pint of lager zeggen de Engelsen, dus deden we dat maar en we zaten nét van de koelte en de rust te genieten toen er een grote groep Japanners van bovenaf langs ons kwam schuifelen. Een vriendelijk lachende mevrouw maakte zich los uit de meute en terwijl ze op haar iPhone-X wees vroeg ze: “Picture please?” Of we een foto van haar wilden maken? Tuurlijk! Maar dat was niet de bedoeling. Ze wilde een foto van ons maken! Inclusief mal toeristenpetje! Eh, nou, toedanmaar. “Say cheese!” riep ze blij, en we deden het ook nog. “Thank you!” riep ze nog voordat de massa haar weer opslokte, ons wat beduusd achterlatend.

Later, toen er een buslading Fransen met Tui-stickers en slechte benen zich bergopwaarts langs ons heen worstelde, kregen we er wel vrede mee. Volgende week hangt er boven een bankstel in Osaka een fraai ingelijst portret van ons, met een bordje “España”. En da’s mooi.

Sierk Meijer, Fuengirola, Spanje, 10 oktober 2017.